Publiek betoveren of beleren?
“Wat bedoelt de kunstenaar hiermee?”. Een van de meest hardnekkige vragen wellicht. Interessant om eens op in te gaan, omdat er een hele wereld van aannamen en dynamieken achter schuil lijkt te gaan. Dynamieken tussen de kunstenaar en het kunstwerk, tussen kunstenaar kunstobject en publiek, met daartussen nog de ‘bemiddelende actoren’. Dat zijn bijvoorbeeld galeriehouders, kunstfondsen, kunstbladen, et cetera.
Ik wil eigenlijk schrijven over twee fenomenen daarbij. Het tot stand komen van kunst enerzijds en de vertaalde inwerking op bemiddelaar en publiek. Deze twee fenomenen blijken – denk ik – uiteindelijk samen te hangen.
Ok, de eerste, die houden we simpel. Het tot stand komen van het kunstwerk. Voor het gemak gaan we hier even uit van een kunstenaar in een atelier die alleen een kunstwerk maakt, een sculptuur of schilderij. Heel klassiek. Bedenkt deze een kunstwerk of juist niet? Of het kunstwerk nu ontstaat vanuit een pennestreek van één seconde of er tientallen jaren op een blok steen wordt gehakt, dat maakt niet per se uit. Is het bedacht? Komt het uit ‘denken’ voort? Of zijn het de handen die iets doen, wellicht toevallige vormen scheppen waar het bewustzijn dan op reageert? We hoeven deze vraag niet te beantwoorden alvorens verder te gaan, maar de vraag moet wel even in de week gelegd zijn.
De meeste mensen zien nooit in hun leven een kunstwerk op zichzelf. Altijd is het kunstwerk reeds binnen een bepaalde context geplaatst. Dan heb ik het niet alleen over ‘het bordje’ dat erbij staat, of de inleidende teksten bij tentoonstellingen. Het gaat breder. Het feit dat een kunstwerk binnen bepaald podium is geselecteerd, zeg bijvoorbeeld het Stedelijk Museum of een klein gemeentemuseum. Dat museum zelf heeft weer een leiding, met mensen erin waarvan bepaalde eigenschappen, meningen en gedrag wordt verwacht. De kunstwerken worden gepresenteerd zodat ze voldoen aan die zelfde verwachtingen. Een kunstwerk mag mensen dus best verrassen, maar de curatoren of leiding van het museum mag niet verrast worden eigenlijk, zij moeten controle hebben, zodat men weet dat ook verrassingen aan de verwachtingen voldoen. Zij hoeven daarbij niet aan ieders verwachting te voldoen, maar aan de verwachting van het publiek en de opiniemakers. Er zit om hen heen dus weer een hele schil van actoren waarbinnen zij functioneren en die hun bewegingsruimte bepalen.
Voorbeelden. Binnen de moderne kunst is er de neiging om het religieuze ‘perspectief’ weg te poetsen. Vroeger was er wellicht de neiging om het werk van vrouwen weg te poetsen. Een lofzang op oorlog, zal geen podium vinden, hoe treffend ook.
De verwachtingen en bewegingsruimte van de bemiddelaars bepalen dus welke kunst die op het podium komt. Maar ook de narratieven en betekenis die aan de kunst wordt meegegeven worden aangepast. Waarom is dit nu relevant in het kader van kunst bedenken of niet-bedenken? Het antwoord zit hem in één woord: taal. Het publiek verwacht een antwoord op de vraag “wat bedoelt de kunstenaar hiermee?”. In taal. Taal immers, kunnen zowel de bemiddelaar als het publiek zelf reproduceren. Men is talig, men kan spreken over. Het kunstobject wordt namelijk onderdeel van een communicatiestroom. Natuurlijk zijn beelden (tegenwoordig) ook te reproduceren, maar voor de communicatie tussen mensen is taal veel belangrijker. Wil men iets ‘kunnen’ met kunst zijn er ver-talingen gewenst. In die vertaling vindt het eigenlijke betekenisgeven plaats. Bemiddelaars gebruiken taal om het kunstwerk in te passen. Het publiek gebruikt taal om kunst te kunnen duiden en er over te kunnen communiceren met anderen. Al met al probeer ik een compleet beeld te scheppen van hoe een kunstwerk tot stand komt, vertaald en gecontextualiseerd wordt en vervolgens gelezen wordt door het publiek, dat er dan weer over communiceert. Een kunstwerk is dus onderdeel van allerlei transities, komt in allerlei communicatiestromen terecht.
Ok, laten we teruggaan naar het ontstaan van het kunstwerk, door denken of niet-denken. Als het zo is dat een kunstenaar ‘er iets mee bedoelt’ tijdens de conceptie, dan is het makkelijk. Datgene wordt dan wel of niet ‘correct’ opgepakt door het publiek. De kunstenaar zou dan immers een soort ‘objectieve’ bedoeling hebben met het kunstwerk, dat door alle verschillende subjecten, bemiddelaars en publiek objectief correct kan worden ‘ontvangen’. Een dergelijke logica zou helemaal passen in het Verlichte wereldbeeld, waarin objectiviteit van waarneming het uitgangspunt is, waarin er één werkelijkheid bestaat. Maar als je er van uitgaat dat iedere persoon de werkelijkheid heel verschillend ervaart door alle mogelijke verschillen in opvoeding, ervaringen, cultuur, lichaamsbouw, sexe, geestelijke verschillen en alle toevalligheden die ieder mens verschillend maken, dan gaat dit helemaal niet op. Een makkelijk voorbeeld. Een kunstwerk waarin seks wordt verbeeld. Dat zal bij eenieder heel verschillende associaties oproepen, ook weer afhankelijk van wat in iemand leven speelt. Daar bestaat dus geen objectieve betekenis. En zo is het met alles. Dat wil niet zeggen dat er binnen een cultuur niet ook convergentie is van hoe een kunstwerk wordt ervaren, maar het blijft een subjectieve aangelegenheid. Als dit zo is, hoe kun je dan de vraag beantwoorden “wat bedoelde de kunstenaar hier mee?”? Of eigenlijk: waarom zou je de vraag stellen? Wat kan jou die kunstenaar schelen?
Er is een verkeerd begrip van wat een kunstenaar doet. Dat is het gevolg van het Verlichtingsdenken. Een kunstenaar is namelijk een magiër. Ondanks dat deze het publiek niet kent, kan hij het raken. Persoonlijk. Subjectief. Relationeel. Zoals de schittering van de zon op de zee eenieder persoonlijk beschijnt en volgt. Terwijl er maar één zon is. Hoe kan dat? Dat kan omdat de kunstenaar zelf geraakt is door alle indrukken, alle fracties, alle ervaringen, alle emoties, die anderen ook ervaren. Dat geeft de kunstenaar terug in het kunstwerk. Geeft het Gestalt zou je kunnen zeggen. Bevriest al die fracties leven in één keer. Destilleert ze, comprimeert ze, vat ze samen in het werk. Dat proces is zowel totaal subjectief, als totaal subject-loos. De geboorte van een kunstwerk is altijd iets dat buiten het ‘ik’ gebeurt. Natuurlijk kijkt de kunstenaar mee, gebruikt diens kennis om het ‘mogelijk te maken’. Dat wel. Omdat het werk subject-loos is, kan ieder subject, ieder persoon op diens eigen manier herkenning vinden. “Oh bedoelde die dat, ok nou snap ik het”, dat is geen raken, dat is begrijpen. Bepaalde aspecten van een kunstwerk resoneren bij een bepaalde persoon, op manieren die de kunstenaar nooit had kunnen bevroeden. Dat geldt ook voor de kunstenaar zelf, die ziet het kunstwerk steeds met nieuwe ogen en de ‘betekenis’ verschuift door de jaren heen. Ook daar blijft de relatie altijd dynamisch.
Als kunst ‘bedacht’ wordt, met een intentie, dan is dat een ‘ontwerp’. Zelf ben ik als ontwerper opgeleid en alleen al daarom is het verschil zo zonneklaar voor me.
Als we uitgaan van dit idee, dan heeft dat invloed op de omgang met kunst door bemiddelaar en publiek. Het gaat er veeleer om kunst als ervaring te benaderen en daar dan ook het podium en de processen van de bemiddelaars op in te richten. De visie van hedendaagse kunstmusea is museaal van oorsprong en ook nog immer vanuit die functie bestierd. Je loop langs artefacten uit 8e eeuws Indonesië, zoals je lang hedendaagse kunstwerken loopt. Er staat wat toelichting bij en je hobbelt verder. Je kunt geraakt worden, maar de objectief-museale uitgangspunten maken de kans erg klein. De contextualisering van de witte muren, de surveillanten, het aura van elitaire kennis, het voorspelbare winkeltje, de mens die schrompelt al ineen van zoveel kleinburgerlijke gecontroleerdheid en voorspelbaarheid. Bah. Soms kom je het tegen dat een kunstwerk bedoelt is om te betreden, maar dan gaat er een hoekje af of zo en dan wordt meteen het hele ding gesloten. Dat zegt meer dan duizend woorden.
Men dient kunst als magie aan te vliegen, want dat is het, we weten niet hoe het kan dat er zoiets wonderlijk als de conceptie van kunst kan gebeuren. Hoe betover je het publiek?


