Publiek betoveren of beleren?

“Wat bedoelt de kunstenaar hiermee?”. Een van de meest hardnekkige vragen wellicht. Interessant om eens op in te gaan, omdat er een hele wereld van aannamen en dynamieken achter schuil lijkt te gaan. Dynamieken tussen de kunstenaar en het kunstwerk, tussen kunstenaar kunstobject en publiek, met daartussen nog de ‘bemiddelende actoren’. Dat zijn bijvoorbeeld galeriehouders, kunstfondsen, kunstbladen, et cetera.
Ik wil eigenlijk schrijven over twee fenomenen daarbij. Het tot stand komen van kunst enerzijds en de vertaalde inwerking op bemiddelaar en publiek. Deze twee fenomenen blijken – denk ik – uiteindelijk samen te hangen.
Ok, de eerste, die houden we simpel. Het tot stand komen van het kunstwerk. Voor het gemak gaan we hier even uit van een kunstenaar in een atelier die alleen een kunstwerk maakt, een sculptuur of schilderij. Heel klassiek. Bedenkt deze een kunstwerk of juist niet? Of het kunstwerk nu ontstaat vanuit een pennestreek van één seconde of er tientallen jaren op een blok steen wordt gehakt, dat maakt niet per se uit. Is het bedacht? Komt het uit ‘denken’ voort? Of zijn het de handen die iets doen, wellicht toevallige vormen scheppen waar het bewustzijn dan op reageert? We hoeven deze vraag niet te beantwoorden alvorens verder te gaan, maar de vraag moet wel even in de week gelegd zijn.

De meeste mensen zien nooit in hun leven een kunstwerk op zichzelf. Altijd is het kunstwerk reeds binnen een bepaalde context geplaatst. Dan heb ik het niet alleen over ‘het bordje’ dat erbij staat, of de inleidende teksten bij tentoonstellingen. Het gaat breder. Het feit dat een kunstwerk binnen bepaald podium is geselecteerd, zeg bijvoorbeeld het Stedelijk Museum of een klein gemeentemuseum. Dat museum zelf heeft weer een leiding, met mensen erin waarvan bepaalde eigenschappen, meningen en gedrag wordt verwacht. De kunstwerken worden gepresenteerd zodat ze voldoen aan die zelfde verwachtingen. Een kunstwerk mag mensen dus best verrassen, maar de curatoren of leiding van het museum mag niet verrast worden eigenlijk, zij moeten controle hebben, zodat men weet dat ook verrassingen aan de verwachtingen voldoen. Zij hoeven daarbij niet aan ieders verwachting te voldoen, maar aan de verwachting van het publiek en de opiniemakers. Er zit om hen heen dus weer een hele schil van actoren waarbinnen zij functioneren en die hun bewegingsruimte bepalen.

Voorbeelden. Binnen de moderne kunst is er de neiging om het religieuze ‘perspectief’ weg te poetsen. Vroeger was er wellicht de neiging om het werk van vrouwen weg te poetsen. Een lofzang op oorlog, zal geen podium vinden, hoe treffend ook.
De verwachtingen en bewegingsruimte van de bemiddelaars bepalen dus welke kunst die op het podium komt. Maar ook de narratieven en betekenis die aan de kunst wordt meegegeven worden aangepast. Waarom is dit nu relevant in het kader van kunst bedenken of niet-bedenken? Het antwoord zit hem in één woord: taal. Het publiek verwacht een antwoord op de vraag “wat bedoelt de kunstenaar hiermee?”. In taal. Taal immers, kunnen zowel de bemiddelaar als het publiek zelf reproduceren. Men is talig, men kan spreken over. Het kunstobject wordt namelijk onderdeel van een communicatiestroom. Natuurlijk zijn beelden (tegenwoordig) ook te reproduceren, maar voor de communicatie tussen mensen is taal veel belangrijker. Wil men iets ‘kunnen’ met kunst zijn er ver-talingen gewenst. In die vertaling vindt het eigenlijke betekenisgeven plaats. Bemiddelaars gebruiken taal om het kunstwerk in te passen. Het publiek gebruikt taal om kunst te kunnen duiden en er over te kunnen communiceren met anderen. Al met al probeer ik een compleet beeld te scheppen van hoe een kunstwerk tot stand komt, vertaald en gecontextualiseerd wordt en vervolgens gelezen wordt door het publiek, dat er dan weer over communiceert. Een kunstwerk is dus onderdeel van allerlei transities, komt in allerlei communicatiestromen terecht.
Ok, laten we teruggaan naar het ontstaan van het kunstwerk, door denken of niet-denken. Als het zo is dat een kunstenaar ‘er iets mee bedoelt’ tijdens de conceptie, dan is het makkelijk. Datgene wordt dan wel of niet ‘correct’ opgepakt door het publiek. De kunstenaar zou dan immers een soort ‘objectieve’ bedoeling hebben met het kunstwerk, dat door alle verschillende subjecten, bemiddelaars en publiek objectief correct kan worden ‘ontvangen’. Een dergelijke logica zou helemaal passen in het Verlichte wereldbeeld, waarin objectiviteit van waarneming het uitgangspunt is, waarin er één werkelijkheid bestaat. Maar als je er van uitgaat dat iedere persoon de werkelijkheid heel verschillend ervaart door alle mogelijke verschillen in opvoeding, ervaringen, cultuur, lichaamsbouw, sexe, geestelijke verschillen en alle toevalligheden die ieder mens verschillend maken, dan gaat dit helemaal niet op. Een makkelijk voorbeeld. Een kunstwerk waarin seks wordt verbeeld. Dat zal bij eenieder heel verschillende associaties oproepen, ook weer afhankelijk van wat in iemand leven speelt. Daar bestaat dus geen objectieve betekenis. En zo is het met alles. Dat wil niet zeggen dat er binnen een cultuur niet ook convergentie is van hoe een kunstwerk wordt ervaren, maar het blijft een subjectieve aangelegenheid. Als dit zo is, hoe kun je dan de vraag beantwoorden “wat bedoelde de kunstenaar hier mee?”? Of eigenlijk: waarom zou je de vraag stellen? Wat kan jou die kunstenaar schelen?
Er is een verkeerd begrip van wat een kunstenaar doet. Dat is het gevolg van het Verlichtingsdenken. Een kunstenaar is namelijk een magiër. Ondanks dat deze het publiek niet kent, kan hij het raken. Persoonlijk. Subjectief. Relationeel. Zoals de schittering van de zon op de zee eenieder persoonlijk beschijnt en volgt. Terwijl er maar één zon is. Hoe kan dat? Dat kan omdat de kunstenaar zelf geraakt is door alle indrukken, alle fracties, alle ervaringen, alle emoties, die anderen ook ervaren. Dat geeft de kunstenaar terug in het kunstwerk. Geeft het Gestalt zou je kunnen zeggen. Bevriest al die fracties leven in één keer. Destilleert ze, comprimeert ze, vat ze samen in het werk. Dat proces is zowel totaal subjectief, als totaal subject-loos. De geboorte van een kunstwerk is altijd iets dat buiten het ‘ik’ gebeurt. Natuurlijk kijkt de kunstenaar mee, gebruikt diens kennis om het ‘mogelijk te maken’. Dat wel. Omdat het werk subject-loos is, kan ieder subject, ieder persoon op diens eigen manier herkenning vinden. “Oh bedoelde die dat, ok nou snap ik het”, dat is geen raken, dat is begrijpen. Bepaalde aspecten van een kunstwerk resoneren bij een bepaalde persoon, op manieren die de kunstenaar nooit had kunnen bevroeden. Dat geldt ook voor de kunstenaar zelf, die ziet het kunstwerk steeds met nieuwe ogen en de ‘betekenis’ verschuift door de jaren heen. Ook daar blijft de relatie altijd dynamisch.
Als kunst ‘bedacht’ wordt, met een intentie, dan is dat een ‘ontwerp’. Zelf ben ik als ontwerper opgeleid en alleen al daarom is het verschil zo zonneklaar voor me.
Als we uitgaan van dit idee, dan heeft dat invloed op de omgang met kunst door bemiddelaar en publiek. Het gaat er veeleer om kunst als ervaring te benaderen en daar dan ook het podium en de processen van de bemiddelaars op in te richten. De visie van hedendaagse kunstmusea is museaal van oorsprong en ook nog immer vanuit die functie bestierd. Je loop langs artefacten uit 8e eeuws Indonesië, zoals je lang hedendaagse kunstwerken loopt. Er staat wat toelichting bij en je hobbelt verder. Je kunt geraakt worden, maar de objectief-museale uitgangspunten maken de kans erg klein. De contextualisering van de witte muren, de surveillanten, het aura van elitaire kennis, het voorspelbare winkeltje, de mens die schrompelt al ineen van zoveel kleinburgerlijke gecontroleerdheid en voorspelbaarheid. Bah. Soms kom je het tegen dat een kunstwerk bedoelt is om te betreden, maar dan gaat er een hoekje af of zo en dan wordt meteen het hele ding gesloten. Dat zegt meer dan duizend woorden.

Men dient kunst als magie aan te vliegen, want dat is het, we weten niet hoe het kan dat er zoiets wonderlijk als de conceptie van kunst kan gebeuren. Hoe betover je het publiek?

 

 

 

 

 

Kunstenaarsbezoek: “Ziel geven aan steen”, Frank Linsewski

Ik rijd door een Utrechts coulissen-landschap van weiden en stukjes bos, ergens tussen Soest en Amersfoort. Naast de provinciale weg parkeer ik de auto bij een grote klassieke stal met een gigantisch puntdak. De temperatuur is rond de nul en het waait. Wat verloren loop ik over het erf op zoek naar het atelier van beeldhouwer Frank Linsewski. Dan zie ik een klein bordje met zijn naam en via een modderig paadje kom ik aan bij zelfgebouwde constructie waarvan één kant bedenk is met doorzichtig zeil. Eenmaal binnen zit ik in onder een golfdak boven houten wanden, met daarbinnen weer een mini-tuinhuisje. Er zijn drie cursisten aan het hakken en schuren, type baby-boomer. In het midden brandt een kachel en er staan daar twee klapstoeltjes waarin we plaatsnemen. Binnen is het nauwelijks warmer dan buiten, maar bij het licht van het vuur en met een mok hete thee is het goed te doen. Frank is volledig ingepakt in vele lagen kleding met als buitenste laag een werkbroek en een houthakkersjas, zijn gezicht verdwijnt grotendeels onder muts en capuchon. Hij had een shag roker kunnen zijn, maar hij rookt filtersigaretten. Hij is te jong voor een babyboomer, maar de pensioenleeftijd komt eraan. Aan de muur hangen een aantal foto’s van werken van Brancusi en Giacometti. “Waar geen wil is, is een weg” vormt een van de motto’s, te lezen op de houten wand. Tegenover de wand – waar het doorzichtig zeil hangt met uitzicht op de velden – staan vele blokken steen, gereedschap en een prachtig werk van hout met steen, waarbij hout en steen als een soort skelet van een ruggengraat heen en terug buigen. “Mensen moeten eerst maar eens leren te verbinden met hun handen” zegt Frank. Hij vertelt over hoe de handen intelligent zijn en hoe hij zijn handen traint. Jarenlang heeft hij gewerkt aan het maken van een stenen bol. Om zijn handen te leren wat een bol eigenlijk is, je kunt dat immers met het hoofd niet weten. “Op de kunstacademie leren ze dat niet meer” gaat hij verder, “ik moest laatst een student daar begeleiden omdat ze er geen docenten beeldhouwen meer hebben, ze leren daar alleen nog maar lullen en op de computer klooien”. Frank is niet wars van kritiek en boosheid. Zoals het een kunstenaar betaamt zou ik bijna zeggen. “Maar er zijn ook lichtpuntjes”. Hij vertelt dat hij een nieuwe auto heeft gekocht, een Mazda. “Bij Mazda maken beeldhouwers de auto op ware grootte, daarna komen de mensen die kijken hoe het licht werkt in de verschillende seizoenen. Dan pas gaan de technische mensen er mee verder. Nou dat zie je hoor, je moet zo maar kijken op de parkeerplaats”. We komen te spreken over het kunstenaarsleven vandaag de dag en welke uitdagingen dit met zich meebrengt. Hoe autonoom en toch verbonden? De ivoren toren heeft een prijs. De instituten dwingen je echter naar oppervlakte en ideologie. “In Amsterdam is alle kunst Woke, maar dat heeft met kunst niets meer te maken, het is de race om het ergste slachtofferschap”. Hij komt vaker in Amsterdam tegenwoordig, omdat hij een half jaar terug getrouwd is met een Amsterdamse. Ze is violiste in het concertgebouw-orkest. “Topsport is dat, het mooie is dat ik nu naar al die concerten kan en zelfs mee kan naar buitenlandse concerten, zoals in Berlijn laatst”. Zijn vrouw is net als hijzelf Duits ‘van origine’, ze spreken “wiederdeutsch” met elkaar grapt hij. Ze hebben al een woordenboekje gemaakt met woorden. Frank woont al heel lang in Nederland, hij is ‘eigenlijk’ pianist, maar heeft veel gedaan in de psychiatrie. Op een dag besloot hij volbloed kunstenaar te worden. Een dag voor zijn uitkering afliep schreef hij zich in als zelfstandige. Het was knokken. “Ergens mis ik dat wel, het gaf je drive, je moest doorwerken anders kwam er geen boterham”. Tijdens ons gesprek wordt er hier en daar een grap gemaakt met een cursist of een vraag beantwoord. “Het les geven geeft een mooie aansluiting met de maatschappij, het heeft nut. Anders ben je alleen maar met jezelf bezig, dat houd ook een keer op. Daarbij heb ik wel eens in een jaar 12 tentoonstellingen gedaan zonder verkoop. Dan betaal je ook nog eens mee voor die lullige foldertjes en de droge koekjes bij de koffie. Ben daar wel klaar mee en met die atelierroutes en alles. Daarbij zijn de meeste kunstenaars daar maar madammetjes die met de creditcard van hun man de boel regelen. Met kent daar maar twee woorden: mooi of apart, voor als ze het niks vinden. Je mag niet doorvragen naar het werk, er zit niks achter”. Liever verkoopt Frank nu via de contacten die hij in de loop der jaren heeft opgedaan.
“De wereld bestaat eigenlijk uit beelden en verhalen, de rest is onbelangrijk”  vertelt Frank. “Iemand vroeg ooit aan Einstein wat hij zou moeten doen zodat zijn kind slim wordt? “Veel sprookjes lezen” zei Einstein. Maar wat als je dan wil dat het kind nog slimmer wordt? “Nog meer sprookjes lezen”, zei de natuurkundige. “.
We spreken over de relatie tussen kunstenaar en publiek. “Je wil mensen laten zien wat donker en licht is, de grens tussen materiaal en doorschijning”. “Je kunt alleen via je handen ziel aan het werk geven. Dat proces van bezieling, dat wil je aan het publiek invoelbaar maken. Dat is een proces dat het hoofd niet kan doen, dat kan alleen met de handen”. Dat brengt de kritiek op de beeldhouwerloze kunstacademie in een helder daglicht.
Frank wekt de gedachte bij me op dat er eigenlijk niet zoveel verandert aan de kunstenaar, hoogstens aan de kunst. Honderd jaar geleden zouden Brancusi en Giacometti er niet heel anders over denken.
Terug bij de auto kijk ik met andere ogen naar de Mazda.

www.franklinsewski.nl

Deconceptualiseren in meditatie en moderne kunst

Een belangrijk aspect van wat we meestal benoemen als Oosterse spiritualiteit is het deconceptualiseren van de werkelijkheid of de ervaring van de werkelijkheid eigenlijk. Daar kom ik op terug. Met name in de vroege moderne kunst zie je een soortgelijk fenomeen, waarbij dan het concept ‘kunst’ centraal staat in de inspanning om te deconceptualiseren. Oftewel, wat kunst is wordt daarbij steeds verder ‘opgerekt’, het concept wordt ruimer gemaakt. Dat gebeurt met een ruimere manier van middelen en manieren waarop kunst word ‘bedreven’. Je ziet dat men in de geschiedenis van de moderne kunst ook vaak afscheid neemt van überhaupt het begrip kunst, of bijvoorbeeld niet meer praat over sculpturen, maar over ‘objecten’. Dat vind ik een interessante parallel en daar wil ik wat dieper op ingaan.

Ik deed net een geleide meditatie op de vier elementen (link). De meditatie houdt in dat je de waarneming in ‘je lichaam’ registreert aan de hand van vier elementen, feitelijk vier aspecten. Bijvoorbeeld het element aarde. Overal waar je druk of kracht voelt, benoem je bewust: ‘aarde’. Voel je warmte of kou, dan registreer je: ‘vuur’. Met een dergelijke meditatie ‘reconceptualieer’ je in feite. Waar je lichamelijke ervaringen neigt te benoemen als ‘pijn aan mijn voet’ of ‘jeuk aan mijn neus’ overschrijf je dit nu. Daarmee komt het concept ‘lichaam’ op lossere schroeven te staan, het raakt gedeconceptualiseerd. De idee is dat je dus invloed kunt hebben op hoe je iets ervaart. Ik weet niet of het iets zegt als je dit zo leest zonder de ervaring te kennen, maar ik hoop in ieder geval dat ik er iets van overbreng.
Laten we vanuit bovenstaande eens naar de kunst kijken. Wanneer we een landschap waarnemen of een ander mens, of een dier. Dan kunnen we dit gelijk conceptualiseren in een ‘automatische reactie’: “wat mooi zeg die zonsondergang, oh daar heb je hem weer, hé een jachtluipaard, die zijn echt snel heb ik gelezen”. De kracht van de kunstenaar is echter dat deze dan wel een ‘aspect’ van de ‘realiteit’ uitlicht of versterkt, dan wel de realiteit in zijn geheel ‘anders’ benadert of weergeeft. Daar heb je ook nog geen ‘moderne’ kunst voor nodig. Een Vermeer die het meest ‘gewone dagelijkse tafereel’ verheft doet dat ook. Vermeer geeft geen ‘betekenis’, nee hij bevriest eerder de ervaring of het gemoed van het waarnemen zelf.
Bij de moderne kunst komt die vraag naar ‘betekenis’ echter steeds hardnekkiger bovendrijven. Begrijpelijk ook, omdat juist de conceptuele vastigheid, de taal tussen mensen feitelijk, op losse schroeven komt te staan. Om even terug te gaan naar de meditatie. Als ik opeens in andere termen ga communiceren en het niet meer heb over mijn voet, maar zeg ‘er is het gevoel van warmte’. Dan gaat iemand die hier niet bekend mee is vragen: wat bedoelt hij nou? ‘Oh, hij heeft gewoon pijn aan zijn voet? Oh ok, nou snap ik het’. Dat is wat je in musea soms hoort als je een rondleiding krijgt langs hedendaagse kunst. “De kunstenaar bedoelt….”.
Dat is wellicht ook de paradox vanaf de moderne kunst, dat deze ‘moeilijk’ wordt, zichzelf moet uitleggen. Dat is een probleem dat we nu even laten rusten.
Waar we het over hadden was het fenomeen van deconceptualisering van de kunst. Dat zien we in de vroege moderne kunst werkelijk exploderen. In twintig jaar tijd verandert de kunst totaal, alles kan nu als medium ‘tot kunst’ worden gebruikt. De conceptuele ruimte is enorm vergroot. Voor de kunstenaar althans.
Waar het in dit artikel over gaat, is dat het proces van deconceptualiseren zoals dat ‘getraind’ kan worden door meditatie, dat dit een parallel heeft met het proces binnen ‘de kunst’ of beter gezegd binnen ‘de cultuur’.  De kunstenaar krijgt de mogelijkheid diens ‘perceptie’ of ervaring van de werkelijkheid helemaal tot uitganspunt te nemen. De mogelijkheid om te reconceptualiseren en daar uiting aan te geven. Een klassiek landschapschilderij heeft een ‘taal’ die kunstenaar en beschouwer ‘gemakkelijk’ verbindt. Ze spreken ongeveer dezelfde conceptuele taal. De moderne kunstenaar verkent echter nieuwe concepten en ‘omschrijft’ wat deze ervaart in diens – zeg even -beeldend werk. Dit proces vergroot dus de ‘ruimte’, maar ook de afstand tot het publiek. Maar daar gaan we een andere keer wel weer over verder.

Het nationaal instituut voor humor

Als je eenmaal de aangeleerde concepten loslaat, dan ontstaan er verrassende nieuwe conclusies over hoe de zaak in elkaar steekt. Enkele jaren geleden kwam ik tot de conclusie dat kunst en religie zijn als twee rivieren uit één bron en dat opende een nieuwe wereld voor me. De laatste tijd zie ik iets soortgelijks met humor. Humor en kunst delen ook veel met elkaar. Dit is moeilijk te begrijpen (net als bij kunst en religie) als je vanuit een materialistisch wereldbeeld vertrekt. Dat beeld is wellicht het meest verwarrende en onzinnige beeld dat de mens in zijn geschiedenis ooit heeft bedacht. Maar dat terzijde. Als we de wereld zien als een verloop van processen, gemoedstoestanden waarin wezens zich bevinden en overgangen van het een naar het ander, dan wordt de zaak – uiteindelijk – een stuk interessanter. Relevanter. Als mens althans. Voor robots en economie, waar we tegenwoordig voor lijken te leven, is het niet interessant.

Humor als proces dus. We weten, omdat we mens zijn, dat we op het ene moment meer in staat zijn tot het produceren van grappigheid, dan op het andere. We kunnen op het ene moment ook makkelijker lachen om dingen dan het andere. Gemoedstoestand is dus een ding hierbij. In de Zen en dacht ook het Taoïsme, is humor dan ook een ding dat serieus genomen wordt. Hier een voorbeeld van een bekend zenverhaaltje.

Er is een zen‑priester die aan een dinertafel zit in een traditionele eetgelegenheid waar iedereen rond lage tafels zit, en voor elke gast staat een klein grillletje met hete kolen. Geisha’s (of serveersters) bedienen de gasten.

De priester merkt een van de vrouwen op — zij draagt zich zeer aanwezig en kalm — en vermoedt dat zij zen‑getraind of -bewust is. Hij wil haar testen.

Hij roept haar en zegt:

“Ik wil je een geschenk geven.”
Vervolgens pakt hij met eetstokjes een gloeiend kooltje uit de grill en biedt het haar aan.

De vrouw aarzelt niet. Ze trekt haar kimono‑mouwen over haar handen, pakt het kooltje vast, loopt naar de keuken en gooit het in een pan water. Haar handen zijn niet verbrand, maar haar mooie kleding is beschadigd.

Ze keert terug naar de priester, buigt, en zegt:

“Nu wil ik u een geschenk geven.”

Ze pakt een heet kooltje van zijn grill en biedt het hem aan. De priester haalt een sigaret tevoorschijn, steekt die aan met het kooltje en zegt:

“Dank u. Dat is precies wat ik wilde.”

————————————————-

Het in het hier en nu zijn, aanwezig zijn – ja dat weer – is namelijk ook af te meten aan de spontaniteit waarmee iemand kan reageren en het ligt heel dicht bij humor. Dat is dus een ideaal in deze stromingen. Wat heeft dit nu met kunst te maken? Op procesniveau en op gemoedsniveau alles. Want het maken van kunst vergt ook een zekere spontaniteit, een reageren, een meegaan met het onverwachtse, zonder er eerst over na te gaan denken. Nadenken leidt immers tot voorspelbare cliché’s. Tegelijk deelt het met humor dat het interessant wordt als er ‘iets niet aan klopt’, als er een ruimte open komt te liggen die er voorheen niet was. De verwondering gaat vaak over het feit dat er een ‘nieuwe ruimte’ blijkt te zijn. Het is ook het gebied van spelen. Ik dacht dat het de filosoof Gadamer was die hier een interessante theorie over heeft. (hier daar meer over). Als ik het me goed herinner wordt er dan ook een belangrijk verschil gemaakt tussen spelen en spel(letje). Spelen heeft namelijk geen regels of wetmatigheden. In tegenstelling tot een spel zoals voetbal, waarbinnen je handelt volgens patronen.

Je kunt de geschiedenis lezen als een spelen, waarbij steeds vanuit dat spelen spellen worden ontwikkeld: dit is kunst, dit is het spel. Dan wordt het weer opengebroken en ontstaat een nieuw spel: dit is nu kunst, dit is het spel. Eigenlijk is dat met alles. Zo heb ik wel eens een filosofiestudent horen zeg: “daar gaat filosofie helemaal niet meer over, dat gaat over….” . Ook religie verandert zo, vaak met enorme energieën gepaard gaand. Het zijn sociale processen waarin van spelen spellen worden gemaakt. Die spellen vormen in zekere zin een geheugen van de ontdekkingen, tegelijk proberen ze deze vast te leggen in vorm. Dat lukt niet.

Maar goed, ik dwaal af. Het ging om de relatie tussen kunst en humor. Maar dus eigenlijk over grappig zijn en ontvankelijkheid voor grappigheid en de mogelijkheid om kunst te kunnen maken. Ik weet dat velen deze relatie pijn zal doen. Men zal weigerachtig reageren. Want we willen allemaal zo verschrikkelijk graag serieus genomen worden! Serieus genomen worden geeft ons meer erkenning, dan dat iemand hard lacht om onze grap. Wat jammer! Wat kunnen we veel leren van dit zen verhaal. Voor de serieusheid zijn er daarom instituten bedacht. Dat zijn een soort sociale consensusdragers met een muurtje eromheen, meestal stoelen en tafels erin. Mensen hebben er functies. Daar worden de spellen vastgelegd en bewaakt. Dat is een hele hoop werk hoor.

Een instituut voor humor. Dat is er volgens mij nog niet. Gelukkig maar. Dat legt wel bloot dat er een lastige paradox zit met spontane dingen, je kunt ze niet institutionaliseren. Net zo min als kunst.

Religie en de taal van het onderbewustzijn

Willen we religie begrijpen dan kunnen we wellicht bepaalde ervaringen uit ons leven gebruiken. Bijvoorbeeld de ervaring van de droom. In de droom nemen we een domein waar, waar de regels van tijd en ruimte zoals we die in het dagelijks leven kennen, niet gelden. In droom gaat het om associatie en intensiteit. We kunnen in een droom iemand tegenkomen die onze zus is en tegelijk heel iemand anders. We kunnen ook een plek waarnemen die ons huis van geboorte is en tegelijk een ander huis. We bevinden ons in het domein van het onderbewuste, waar een symbolische taal ‘heerst’.
Dromen an sich zijn een zeer interessant domein waar bijvoorbeeld Erich Fromm een zeer interessant boek over heeft geschreven dat ik kan aanraden. In de moderne tijd is er soms wel interesse voor dromen ook, bijvoorbeeld bij de psycho-analyse. Daarbij kijken vanuit ons dagbewustzijn naar de betekenis van de droom en proberen hier iets van te leren.
We kunnen echter ook een omgekeerde weg volgen, namelijk naar het onderbewustzijn en naar diens taal toe. Dat is de weg van zowel kunst, religie als mythologie. Het zijn pogingen de mens direct in zijn onderbewustzijn aan te spreken. In tekst, in beeld, in rituelen. Direct op het onderbewustzijn in te werken. Het ‘verstand passerend’ zou je kunnen zeggen. Als we aannemen dat we allemaal uiteindelijk worden ‘gedreven’ vanuit ons onderbewustzijn, dan realiseren we de kracht hiervan. We kunnen ons dan ook realiseren hoe het ontbreken van enige begeleiding in de omgang met dit domein, gevaren met zich meebrengt. Tegelijk is een ‘verkeerde’ begeleiding natuurlijk ook altijd een risico.
Als we vanuit historisch perspectief kijken, dan denk ik dat je kunt zeggen dat verschillende religies op totaal verschillende manieren met dit domein zijn omgegaan. In het voorchristelijke germaans-heidendom bijvoorbeeld wordt er veel aandacht besteed aan de voorouders. De voorouders – modern psychologisch vertaald – zijn de vaste inwoners van ons onderbewuste. Via rituelen worden de voorouders ook betrokken in het wakkere bewustzijn. Rituelen vinden meestal plaats op het tussenvlak van onder- en dagbewustzijn.
Voor de moderne mens zijn mythologie en rituelen vaak moeilijk te begrijpen omdat we zijn opgegroeid met de idee dat er zoiets bestaat als een materiële werkelijkheid en daartegenover ‘verzinsels’. Hoe anders is dat bijvoorbeeld in het Boeddhisme waarin de werkelijkheid juist een creatie van de geest is! Dat vormt dan ook de basis voor het hele ‘systeem’.

 

 

 

 

 

 

Denkruimte, democratie en waardigheid

Men zegt wel dat een democratie pas zijn brevet heeft gehaald als de macht twee keer overgegaan is, terwijl de democratie continuïteit vertoonde. Soms denk ik dat je dit ook over een individu kunt zeggen. Wij worden geboren en getogen binnen een bepaald gedachtegoed. Ergens in ons leven gaan we hopelijk zien dat dit niet het enige is en verkennen we ook ander gedachtegoed of andere manieren van leven. Misschien voelen we ons verraden, misschien vluchten we terug, of misschien vluchten we niet, maar realiseren we ons de warmte van onze eerdere wereld en verkiezen we daar naar terug te keren.

In mijn eigen leven zie ik continu hoe er nieuwe manieren van kijken en denkwijzen verschijnen. Ik wist dingen zeker en die bleken niet te kloppen. Ik wist wat goed was, hoe het zat. En nog steeds. En dan opeens is er weer een heel andere ervaring, een inzicht en alles gaat in zekere zin weer op de schop. Ergens is dat pijnlijk, vermoeiend, zoals de uitdrukking al doet vermoeden. Tegelijk schept het heel veel ruimte. Een ruimte die ook uitputtend kan zijn. Uitputtend als je deze expansie probeert te omschrijven, vast te pinnen. Het is de houding ten opzichte van die toegenomen ruimte, die bepaalt hoe deze ervaren wordt. Het lekkere is namelijk, dat er ook heel veel spanning wegvalt, morele spanning. Strijd. De strijd blijkt altijd persoonlijk te zijn. Daar zit een rare paradox in. Ik denk dat je namelijk een ‘externe strijd’ kunt voeren, zelfs letterlijk in een oorlog, zonder dat hier een persoonlijk strijd – als in: het ervaren van spanningen – bij komt kijken. Tegelijk kun je je hele leven een interne strijd voeren, zonder ooit een vinger te verroeren.
Ik moet ook denken aan het Oosterse verhaal over de Samurai die zijn vermoorde meester gaat wreken. Hij wordt door de dader in zijn gezicht gespuugd wanneer hij hem aanvalt. Dat maakt hem woest en daarmee heeft hij de verkeerde motivatie en verlaat het gevecht. Als de strijd dus persoonlijk wordt is deze onwaardig! We moeten dit bezien binnen een cultuur die waardigheid hoog in het vaandel heeft staan en in feite is dit de oosterse uitleg aan het begrip ‘rationaliteit’: gespeend van emoties. Dat staat haaks op de westerse variant, waarbij emoties ontkent worden en men daar dus geen opdracht voor zichzelf ziet, maar het uitbesteed aan het construct van een wetenschappelijke methode.

In het Boeddhisme is waardigheid een centraal begrip. Het vormt een richtlijn voor de houding in zowel spreken als handelen. De opdracht zit er in zichzelf niet te laten meevoeren door verlangens of angsten terwijl men handelt of spreekt.

Vanuit dat bezien kun je de toegenomen ruimte die ik eerder beschreef omarmen, omdat het een afbreken vormt van de ’te verdedigen waarheden’. Je hoeft dus minder te verdedigen en kunt je aandacht zelf richten, in plaats van dit je in een strijd wordt getrokken. Het is dan ook makkelijker om je waardigheid te behouden.
Zo kun je ook kijken naar de uitspraak van Jezus “Keer je tegenstander de andere wang toe”. Laat je niet afleiden, laat je niet meesleuren door wat je tegenkomt, richt je aandacht niet op hetgeen zich als tegenstander manifesteert. Houd je aandacht vast, behoudt continuïteit. Behoudt waardigheid.
Zo zijn we ook weer rond. Voor democratie is waardigheid nodig. Om continuïteit te behouden is het nodig dat we ons niet richten op het benoemen en bestrijden van tegenstanders, maar op wat zich voordoet in de werkelijkheid, in het land, in de wereld.

 

Ken u zelve

Van minimaal de oude Grieken tot hedendaagse vrijmetselaars is dit voor velen het lemma. “Ken u zelve”.
Wat betekent zo een uitspraak? Bij de uitleg lopen we tegen een paradox aan. Want het is ons wereldbeeld waarmee we deze uitspraak bezien en dat bepaald ook de opdracht die eruit voort komt. Een Verlichtte/ Moderne interpretatie zou kunnen zijn: ken je psyche. Weet hoe je bent, hoe je reageert, ken je gevoeligheden, etc. De uitspraak “ken u zelve” heeft maar drie woorden, maar alledrie zijn ze allesbehalve vanzelfsprekend. Laten we eens naar die drie woorden kijken. Ken. Je kunt dit als een oproep lezen, in gebiedender wijs van het werkwoord kennen. Daarover hebben filosofen al boeken vol geschreven, maar voor nu wil ik slechts even een tipje van sluier oplichten over de ruimte die hier zit. Kennen lezen wij modern bezien meestal als ‘bepalen, vaststellen’. We lopen door een weiland en kennen een bepaalde bloem en zeggen: dat is een madeliefje. We hebben het vastgesteld. Hieraan is onbewust een heel proces aan vooraf gegaan waarin is afgesproken wat een madeliefje is, enzovoort. Laten we hier eens mee gaan experimenteren. Stel nu, we doen het zelfde met een rups. Je voelt de bui al hangen. Die wordt op een gegeven moment een vlinder. Dan is de factor tijd toegevoegd. Tijd is verandering. Niet alleen de rups wordt een vlinder, maar in diezelfde tijd wordt die vrolijke man, een boze man. Hoe kun je dan iets kennen als het veranderd? Dat kan dus eigenlijk niet. Al helemaal in de context van ken u zelve, want hoe kun je nu iets kennen dat continu verandert en waarbij ook nog eens de interpratie door de ‘kenner’ telkens verandert? Onmogelijk om vanuit een veranderend subject (ik) een veranderend object (jezelf) te kennen. De moderne interpretatie is wat mij betreft dus niet bruikbaar.
Toch heeft deze uitspraak velen bezig gehouden. Dat komt omdat er ook anders naar gekeken kan worden. “Je begrijpt het als je het ziet” zou Cruijf zeggen. Laten we verder kijken. Ken u zelve. U zelve lijkt voor de hand te liggen. Maar daar zit hem nu juist de crux en ook meteen de afstand tussen het moderne wereldbeeld en bijvoorbeeld het Boeddhistische. Modern denkend, denk je bij u zelf aan je lichaam en de psyche die daar ergens in verstopt zit. In het Boeddhisme ligt het anders. Daar is er de ‘eigenlijke Boeddha natuur’ de ‘kern’, het u zelve en gaat het erom dat zelf te leren kennen. Waarbij kennen dan eerder ‘ervaren’ betekent. Dat ervaren kent vervolgens geen ‘u’, althans niet ‘in’ de ervaring. Het is juist het moment waarop de mens zichzelf ‘vergeet’. Een mooie paradox, of eigenlijk een taalprobleem. Voor het Boeddhisme zijn lichaam en psyche één en hetzelfde, verschillende lagen van hetzelfde zou je kunnen zeggen. Je kunt daarbij denken aan de lichamelijke reactie die bij emoties hoort, blozen, warm worden, de vuisten ballen, enzovoort. Bij dieren zie je het ook goed, de dikke staart van een kat drukt angst uit. Voor het Boeddhisme (en ik denk alle mystieke religievarianten) is er een bewustzijn dat niets met die psyche van doen heeft. Het samenvallen met dat bewustzijn, het ervaren van de eigenlijk gelukzalige Boeddha natuur, dat is waar men ‘zichzelf’ leert kennen.
Hoe het bij de oude Grieken zat kan ik wel iets over zeggen, vanuit de Griekse mystiek. Er waren in Griekenland plekken waar mensen van hogere leeftijd, die een bepaalde ontwikkeling kenden, konden worden ingewijd in het ‘ken u zelve’. Met behulp rituelen waar gebruik werd gemaakt van hallucinerende middelen, kreeg men ervaringen die het begrip van ‘het zijn’ en ‘het zelf’ deden uitbreiden. Men werd ingewijd in de aard van de realiteit, hetgeen uiteindelijk hetzelfde is als ‘ken u zelve’. Misschien was het niet heel anders bij allerlei Indiaanse stammen. Het Hindoeïsme kent natuurlijk ook net als het Boeddhisme allerlei methoden om de ervaring te doen kantelen en op die manier ‘zichzelf’ te leren kennen.
Qua methoden of rituelen weet ik het eigenlijk niet zo in het Christendom op dit punt. Ik hoor er graag meer over. Wel wordt er door Jezus herhaaldelijk naar verwezen als hij het heeft over Het Koninkrijk Gods, tenminste als je net als ik er vanuit gaat dat dat een ervaringstoestand is. Lucas 17:20-21
“Het Koninkrijk van God komt niet op een waarneembare manier, en men zal niet zeggen: ‘Kijk, hier is het!’ of ‘Daar is het!’ Want zie, het Koninkrijk van God is in uw midden.”

Van weten naar worden

Het was voor mij heel inspirerend om ‘Zen en de kunst van het motoronderhoud‘ te lezen – ik geloof dat ik hem ook twee keer las. Hierin wordt Henri Poincaré opgevoerd met zijn theorie dat voor ieder fenomeen oneindig veel hypothesen op te stellen zijn. De implicaties hiervan zijn gigantisch en in feite ondermijnen ze compleet het hele modern-wetenschappelijke construct. Het impliceert dat je in feite geen waarheid kunt vaststellen, maar alleen een gebied van aandacht kunt vaststellen. Dat betekent dat het wetenschappelijke proces, eigenlijk meer zegt over de samenhang tussen de vraagstellers, dan over de werkelijkheid die zij onderzoeken. De samenhang tussen hen ligt simpelweg in een vertelsel of narratief dat de vraagstellers bindt. Men stelt de vragen die dat vertelsel bevestigen. Zo schept men een bepaald aandachtsgebied of realiteit. Dat geldt zowel binnen de moderniteit, als binnen bijvoorbeeld een Christelijk of ander denksysteem of vertelsel. Uiteindelijk is het proces rondom het vertelsel (paradigma) een sociaal proces, waarbij men elkaar in de gaten houdt en wijst op de grenzen van het paradigma. Binnen dat paradigma zijn de helden zij die praktische resultaten halen die het paradigma bevestigen. Zekerheid geven, bevestiging.
David Bowie zingt ‘I don’t want knowledge, I want certainty’, daarmee de mens typerend. Hoewel, misschien is het niet alleen de moderne mens, het is de mens überhaupt. Misschien kun je zelfs stellen: het sociale dier überhaupt. We zijn sociale dieren, zo overleven we en daarom zijn we zo sterk afgestemd op elkaar. De Vertelsels van de primitieve mens in zijn holen zijn niet wezenlijk anders dan die van de mens in zijn hoge flatgebouwen en zijn hoge technologie. Het is zijn manier om met elkaar af te stemmen, betekenis te geven, taken te verdelen, enzovoort. Meer is het niet. Misschien is het einde van een paradigma in zicht wanneer een groeiende groep mensen er niet meer in gelooft, wanneer men de barsten begint te onderzoeken. Misschien is het zo dat men er niet meer in gelooft omdat men ziet dat het ‘het lichaam’, het collectief waartoe men behoort, begint te vervallen. De zoektocht naar nieuwe paradigma’s intensiveert.
Dat gezegd hebbende moeten we ook naar de andere kant kijken, waarin de mens zich ‘direct’ verhoudt tot de werkelijkheid, zonder doel. Dan is immers geen hypothese nodig en komt het vertelsel meer op de achtergrond te staan. Je zou dit het ‘verworden’ kunnen noemen. Een proces waarbij het er niet om gaat de werkelijkheid te omschrijven en ‘buiten zich’ te plaatsen, maar er juist één mee te worden. In de Christelijke traditie heeft men het wel over ‘Door het Vlees’. Ik gebruik ‘verworden’, omdat het fundamenteel gaat om een dynamisch proces, alles stroomt namelijk en het verbinden met de stroom betekent zelf te gaan stromen. Eigenlijk is er dus geen zelf, er is alleen maar stromen. Binnen groeit naar buiten en buiten groeit naar binnen. Dit kan een vorm hebben die wij geneigd zijn ‘mystiek’ te noemen of via meditatie, enzovoort. Maar het kan ook via de poëzie, de kunst in zijn algemeenheid, of door in de natuur te verblijven. De grens tussen religieus en niet-religieus is wat dat betreft voor mij ook een vertelsel. De essentie zit hem veel meer in de houding.

Ooit deed ik een Vipassanna retraite (11 dagen in stilte mediteren) in Thailand. Tussen de monniken dus. Daar waren monniken bij zo licht als een veertje, een en al straling. Maar op een dag werd ik gecorrigeerd door een monnik over hoe je precies je hand hoort te bewegen. In hem straalde geen enkel licht. Dat heeft voor de rest van mijn leven verteld: de methode is nooit een garantie. Zo ook is natuurlijk te leren in het boekje Siddharta van Herman Hesse, de vader van mijn naam.

Rutger Kopland over Mystiek

Bij vlagen lees ik in het prachtige boekje ‘Mechaniek van de ontroering’ van Rutger Kopland.

Ik hoop iets te kunnen overbrengen van wat hij zo mooi weet over te brengen. Er is altijd het risico dat het geschrevene buiten de context aan levendigheid verliest, maar goed, ik neem het risico.
Over mystiek – of het numineuze – in proza te schrijven, is misschien wel een onmogelijkheid. Kopland laat zien hoe poëzie echter wel bij uitstek geschikt is om het contact met de mystieke dimensie op te roepen. De poëzie laat dingen ambigue, het is niet dit of dat, het is allebei, net als we in dromen zien en tijdens mystieke ervaringen.

Tijdens een wandeltocht door de natuur, ergens in Italië, zat ik eens op een bruggetje uit te kijken over een snelstromende rivier. Ik zag hoe lichtjes onder doken en weer opsprongen verderop in de rivier. Even was ik deel van een andere wereld, van een andere tijd, een andere dimensie. De wereld had zich anders getoond dan logisch gezien mogelijk was, lichtjes kunnen immers niet duiken. Even had ik het echter toegelaten, even zag ik de wereld zoals deze is. Even is daar het moment waarop het dagbewustzijn en het nachtbewustzijn één worden.

Voor wie dit nooit heeft meegemaakt, zal het altijd onbegrijpelijk blijven ben ik bang, maar laten we kijken wat Kopland er over zegt. Hij beschrijft de poëzie over de numineuze/ mystieke ervaring op dezelfde manier als schreef hij over de ervaring zelf.

“het gevoel en het weten dat de wereld zoals wij die zagen de werkelijke niet was, maar oplost en plaatsmaakt voor de wereld die wij niet kennen, dat is de ervaring waar het om gaat”

We zien dat er vaak raakvlak is tussen het denken over de dood en de mystiek. Dat heeft te maken met dat de mystiek de dood als het ware opent, laat zien dat de dood geen feitelijkheid is, maar een ervaring. Hij verwijst naar een gedicht van Campert:

Elk woord dat wordt geschreven
is een aanslag op de ouderdom
Tenslotte wint de dood, jazeker,

maar de dood is slechts de stilte in de zaal
nadat het laatste woord geklonken heeft
De dood is een ontroering.

“Het besef van een wereld die zich laat zien, zoals hij of zij is, is een besef van eigen tijdelijkheid. Alsof de wereld stolt. Dan pas voel je de tijd.”

Het interessante hier vind ik dat je tegelijk kunt zeggen dat de eigen tijdelijkheid in die ervaring juist wegvalt. Er is alleen nog maar. Doordat ‘je’ uit de tijd bent gegaan, stroomt deze als het ware langs.

Kopland beschrijft hoe juist die kwaliteit van de poëzie, de kwaliteit van het ongedefinieerd laten, het niet-weten, de mystiek als het ware mogelijk maakt. Het zelfde geldt voor de symboliek, ook die is – zoals ik dat noem – radicaal subjectief. Laat ruimte voor de lezer of toeschouwer om er zich op eigen manier toe te verhouden. Daarom is de kunst ook de enige mogelijkheid om over mystiek te communiceren.