Kunstenaarsbezoek: “Ziel geven aan steen”, Frank Linsewski

Ik rijd door een Utrechts coulissen-landschap van weiden en stukjes bos, ergens tussen Soest en Amersfoort. Naast de provinciale weg parkeer ik de auto bij een grote klassieke stal met een gigantisch puntdak. De temperatuur is rond de nul en het waait. Wat verloren loop ik over het erf op zoek naar het atelier van beeldhouwer Frank Linsewski. Dan zie ik een klein bordje met zijn naam en via een modderig paadje kom ik aan bij zelfgebouwde constructie waarvan één kant bedenk is met doorzichtig zeil. Eenmaal binnen zit ik in onder een golfdak boven houten wanden, met daarbinnen weer een mini-tuinhuisje. Er zijn drie cursisten aan het hakken en schuren, type baby-boomer. In het midden brandt een kachel en er staan daar twee klapstoeltjes waarin we plaatsnemen. Binnen is het nauwelijks warmer dan buiten, maar bij het licht van het vuur en met een mok hete thee is het goed te doen. Frank is volledig ingepakt in vele lagen kleding met als buitenste laag een werkbroek en een houthakkersjas, zijn gezicht verdwijnt grotendeels onder muts en capuchon. Hij had een shag roker kunnen zijn, maar hij rookt filtersigaretten. Hij is te jong voor een babyboomer, maar de pensioenleeftijd komt eraan. Aan de muur hangen een aantal foto’s van werken van Brancusi en Giacometti. “Waar geen wil is, is een weg” vormt een van de motto’s, te lezen op de houten wand. Tegenover de wand – waar het doorzichtig zeil hangt met uitzicht op de velden – staan vele blokken steen, gereedschap en een prachtig werk van hout met steen, waarbij hout en steen als een soort skelet van een ruggengraat heen en terug buigen. “Mensen moeten eerst maar eens leren te verbinden met hun handen” zegt Frank. Hij vertelt over hoe de handen intelligent zijn en hoe hij zijn handen traint. Jarenlang heeft hij gewerkt aan het maken van een stenen bol. Om zijn handen te leren wat een bol eigenlijk is, je kunt dat immers met het hoofd niet weten. “Op de kunstacademie leren ze dat niet meer” gaat hij verder, “ik moest laatst een student daar begeleiden omdat ze er geen docenten beeldhouwen meer hebben, ze leren daar alleen nog maar lullen en op de computer klooien”. Frank is niet wars van kritiek en boosheid. Zoals het een kunstenaar betaamt zou ik bijna zeggen. “Maar er zijn ook lichtpuntjes”. Hij vertelt dat hij een nieuwe auto heeft gekocht, een Mazda. “Bij Mazda maken beeldhouwers de auto op ware grootte, daarna komen de mensen die kijken hoe het licht werkt in de verschillende seizoenen. Dan pas gaan de technische mensen er mee verder. Nou dat zie je hoor, je moet zo maar kijken op de parkeerplaats”. We komen te spreken over het kunstenaarsleven vandaag de dag en welke uitdagingen dit met zich meebrengt. Hoe autonoom en toch verbonden? De ivoren toren heeft een prijs. De instituten dwingen je echter naar oppervlakte en ideologie. “In Amsterdam is alle kunst Woke, maar dat heeft met kunst niets meer te maken, het is de race om het ergste slachtofferschap”. Hij komt vaker in Amsterdam tegenwoordig, omdat hij een half jaar terug getrouwd is met een Amsterdamse. Ze is violiste in het concertgebouw-orkest. “Topsport is dat, het mooie is dat ik nu naar al die concerten kan en zelfs mee kan naar buitenlandse concerten, zoals in Berlijn laatst”. Zijn vrouw is net als hijzelf Duits ‘van origine’, ze spreken “wiederdeutsch” met elkaar grapt hij. Ze hebben al een woordenboekje gemaakt met woorden. Frank woont al heel lang in Nederland, hij is ‘eigenlijk’ pianist, maar heeft veel gedaan in de psychiatrie. Op een dag besloot hij volbloed kunstenaar te worden. Een dag voor zijn uitkering afliep schreef hij zich in als zelfstandige. Het was knokken. “Ergens mis ik dat wel, het gaf je drive, je moest doorwerken anders kwam er geen boterham”. Tijdens ons gesprek wordt er hier en daar een grap gemaakt met een cursist of een vraag beantwoord. “Het les geven geeft een mooie aansluiting met de maatschappij, het heeft nut. Anders ben je alleen maar met jezelf bezig, dat houd ook een keer op. Daarbij heb ik wel eens in een jaar 12 tentoonstellingen gedaan zonder verkoop. Dan betaal je ook nog eens mee voor die lullige foldertjes en de droge koekjes bij de koffie. Ben daar wel klaar mee en met die atelierroutes en alles. Daarbij zijn de meeste kunstenaars daar maar madammetjes die met de creditcard van hun man de boel regelen. Met kent daar maar twee woorden: mooi of apart, voor als ze het niks vinden. Je mag niet doorvragen naar het werk, er zit niks achter”. Liever verkoopt Frank nu via de contacten die hij in de loop der jaren heeft opgedaan.
“De wereld bestaat eigenlijk uit beelden en verhalen, de rest is onbelangrijk”  vertelt Frank. “Iemand vroeg ooit aan Einstein wat hij zou moeten doen zodat zijn kind slim wordt? “Veel sprookjes lezen” zei Einstein. Maar wat als je dan wil dat het kind nog slimmer wordt? “Nog meer sprookjes lezen”, zei de natuurkundige. “.
We spreken over de relatie tussen kunstenaar en publiek. “Je wil mensen laten zien wat donker en licht is, de grens tussen materiaal en doorschijning”. “Je kunt alleen via je handen ziel aan het werk geven. Dat proces van bezieling, dat wil je aan het publiek invoelbaar maken. Dat is een proces dat het hoofd niet kan doen, dat kan alleen met de handen”. Dat brengt de kritiek op de beeldhouwerloze kunstacademie in een helder daglicht.
Frank wekt de gedachte bij me op dat er eigenlijk niet zoveel verandert aan de kunstenaar, hoogstens aan de kunst. Honderd jaar geleden zouden Brancusi en Giacometti er niet heel anders over denken.
Terug bij de auto kijk ik met andere ogen naar de Mazda.

www.franklinsewski.nl

Deconceptualiseren in meditatie en moderne kunst

Een belangrijk aspect van wat we meestal benoemen als Oosterse spiritualiteit is het deconceptualiseren van de werkelijkheid of de ervaring van de werkelijkheid eigenlijk. Daar kom ik op terug. Met name in de vroege moderne kunst zie je een soortgelijk fenomeen, waarbij dan het concept ‘kunst’ centraal staat in de inspanning om te deconceptualiseren. Oftewel, wat kunst is wordt daarbij steeds verder ‘opgerekt’, het concept wordt ruimer gemaakt. Dat gebeurt met een ruimere manier van middelen en manieren waarop kunst word ‘bedreven’. Je ziet dat men in de geschiedenis van de moderne kunst ook vaak afscheid neemt van überhaupt het begrip kunst, of bijvoorbeeld niet meer praat over sculpturen, maar over ‘objecten’. Dat vind ik een interessante parallel en daar wil ik wat dieper op ingaan.

Ik deed net een geleide meditatie op de vier elementen (link). De meditatie houdt in dat je de waarneming in ‘je lichaam’ registreert aan de hand van vier elementen, feitelijk vier aspecten. Bijvoorbeeld het element aarde. Overal waar je druk of kracht voelt, benoem je bewust: ‘aarde’. Voel je warmte of kou, dan registreer je: ‘vuur’. Met een dergelijke meditatie ‘reconceptualieer’ je in feite. Waar je lichamelijke ervaringen neigt te benoemen als ‘pijn aan mijn voet’ of ‘jeuk aan mijn neus’ overschrijf je dit nu. Daarmee komt het concept ‘lichaam’ op lossere schroeven te staan, het raakt gedeconceptualiseerd. De idee is dat je dus invloed kunt hebben op hoe je iets ervaart. Ik weet niet of het iets zegt als je dit zo leest zonder de ervaring te kennen, maar ik hoop in ieder geval dat ik er iets van overbreng.
Laten we vanuit bovenstaande eens naar de kunst kijken. Wanneer we een landschap waarnemen of een ander mens, of een dier. Dan kunnen we dit gelijk conceptualiseren in een ‘automatische reactie’: “wat mooi zeg die zonsondergang, oh daar heb je hem weer, hé een jachtluipaard, die zijn echt snel heb ik gelezen”. De kracht van de kunstenaar is echter dat deze dan wel een ‘aspect’ van de ‘realiteit’ uitlicht of versterkt, dan wel de realiteit in zijn geheel ‘anders’ benadert of weergeeft. Daar heb je ook nog geen ‘moderne’ kunst voor nodig. Een Vermeer die het meest ‘gewone dagelijkse tafereel’ verheft doet dat ook. Vermeer geeft geen ‘betekenis’, nee hij bevriest eerder de ervaring of het gemoed van het waarnemen zelf.
Bij de moderne kunst komt die vraag naar ‘betekenis’ echter steeds hardnekkiger bovendrijven. Begrijpelijk ook, omdat juist de conceptuele vastigheid, de taal tussen mensen feitelijk, op losse schroeven komt te staan. Om even terug te gaan naar de meditatie. Als ik opeens in andere termen ga communiceren en het niet meer heb over mijn voet, maar zeg ‘er is het gevoel van warmte’. Dan gaat iemand die hier niet bekend mee is vragen: wat bedoelt hij nou? ‘Oh, hij heeft gewoon pijn aan zijn voet? Oh ok, nou snap ik het’. Dat is wat je in musea soms hoort als je een rondleiding krijgt langs hedendaagse kunst. “De kunstenaar bedoelt….”.
Dat is wellicht ook de paradox vanaf de moderne kunst, dat deze ‘moeilijk’ wordt, zichzelf moet uitleggen. Dat is een probleem dat we nu even laten rusten.
Waar we het over hadden was het fenomeen van deconceptualisering van de kunst. Dat zien we in de vroege moderne kunst werkelijk exploderen. In twintig jaar tijd verandert de kunst totaal, alles kan nu als medium ‘tot kunst’ worden gebruikt. De conceptuele ruimte is enorm vergroot. Voor de kunstenaar althans.
Waar het in dit artikel over gaat, is dat het proces van deconceptualiseren zoals dat ‘getraind’ kan worden door meditatie, dat dit een parallel heeft met het proces binnen ‘de kunst’ of beter gezegd binnen ‘de cultuur’.  De kunstenaar krijgt de mogelijkheid diens ‘perceptie’ of ervaring van de werkelijkheid helemaal tot uitganspunt te nemen. De mogelijkheid om te reconceptualiseren en daar uiting aan te geven. Een klassiek landschapschilderij heeft een ‘taal’ die kunstenaar en beschouwer ‘gemakkelijk’ verbindt. Ze spreken ongeveer dezelfde conceptuele taal. De moderne kunstenaar verkent echter nieuwe concepten en ‘omschrijft’ wat deze ervaart in diens – zeg even -beeldend werk. Dit proces vergroot dus de ‘ruimte’, maar ook de afstand tot het publiek. Maar daar gaan we een andere keer wel weer over verder.