Het nationaal instituut voor humor
Als je eenmaal de aangeleerde concepten loslaat, dan ontstaan er verrassende nieuwe conclusies over hoe de zaak in elkaar steekt. Enkele jaren geleden kwam ik tot de conclusie dat kunst en religie zijn als twee rivieren uit één bron en dat opende een nieuwe wereld voor me. De laatste tijd zie ik iets soortgelijks met humor. Humor en kunst delen ook veel met elkaar. Dit is moeilijk te begrijpen (net als bij kunst en religie) als je vanuit een materialistisch wereldbeeld vertrekt. Dat beeld is wellicht het meest verwarrende en onzinnige beeld dat de mens in zijn geschiedenis ooit heeft bedacht. Maar dat terzijde. Als we de wereld zien als een verloop van processen, gemoedstoestanden waarin wezens zich bevinden en overgangen van het een naar het ander, dan wordt de zaak – uiteindelijk – een stuk interessanter. Relevanter. Als mens althans. Voor robots en economie, waar we tegenwoordig voor lijken te leven, is het niet interessant.
Humor als proces dus. We weten, omdat we mens zijn, dat we op het ene moment meer in staat zijn tot het produceren van grappigheid, dan op het andere. We kunnen op het ene moment ook makkelijker lachen om dingen dan het andere. Gemoedstoestand is dus een ding hierbij. In de Zen en dacht ook het Taoïsme, is humor dan ook een ding dat serieus genomen wordt. Hier een voorbeeld van een bekend zenverhaaltje.
Er is een zen‑priester die aan een dinertafel zit in een traditionele eetgelegenheid waar iedereen rond lage tafels zit, en voor elke gast staat een klein grillletje met hete kolen. Geisha’s (of serveersters) bedienen de gasten.
De priester merkt een van de vrouwen op — zij draagt zich zeer aanwezig en kalm — en vermoedt dat zij zen‑getraind of -bewust is. Hij wil haar testen.
Hij roept haar en zegt:
“Ik wil je een geschenk geven.”
Vervolgens pakt hij met eetstokjes een gloeiend kooltje uit de grill en biedt het haar aan.
De vrouw aarzelt niet. Ze trekt haar kimono‑mouwen over haar handen, pakt het kooltje vast, loopt naar de keuken en gooit het in een pan water. Haar handen zijn niet verbrand, maar haar mooie kleding is beschadigd.
Ze keert terug naar de priester, buigt, en zegt:
“Nu wil ik u een geschenk geven.”
Ze pakt een heet kooltje van zijn grill en biedt het hem aan. De priester haalt een sigaret tevoorschijn, steekt die aan met het kooltje en zegt:
“Dank u. Dat is precies wat ik wilde.”
————————————————-
Het in het hier en nu zijn, aanwezig zijn – ja dat weer – is namelijk ook af te meten aan de spontaniteit waarmee iemand kan reageren en het ligt heel dicht bij humor. Dat is dus een ideaal in deze stromingen. Wat heeft dit nu met kunst te maken? Op procesniveau en op gemoedsniveau alles. Want het maken van kunst vergt ook een zekere spontaniteit, een reageren, een meegaan met het onverwachtse, zonder er eerst over na te gaan denken. Nadenken leidt immers tot voorspelbare cliché’s. Tegelijk deelt het met humor dat het interessant wordt als er ‘iets niet aan klopt’, als er een ruimte open komt te liggen die er voorheen niet was. De verwondering gaat vaak over het feit dat er een ‘nieuwe ruimte’ blijkt te zijn. Het is ook het gebied van spelen. Ik dacht dat het de filosoof Gadamer was die hier een interessante theorie over heeft. (hier daar meer over). Als ik het me goed herinner wordt er dan ook een belangrijk verschil gemaakt tussen spelen en spel(letje). Spelen heeft namelijk geen regels of wetmatigheden. In tegenstelling tot een spel zoals voetbal, waarbinnen je handelt volgens patronen.
Je kunt de geschiedenis lezen als een spelen, waarbij steeds vanuit dat spelen spellen worden ontwikkeld: dit is kunst, dit is het spel. Dan wordt het weer opengebroken en ontstaat een nieuw spel: dit is nu kunst, dit is het spel. Eigenlijk is dat met alles. Zo heb ik wel eens een filosofiestudent horen zeg: “daar gaat filosofie helemaal niet meer over, dat gaat over….” . Ook religie verandert zo, vaak met enorme energieën gepaard gaand. Het zijn sociale processen waarin van spelen spellen worden gemaakt. Die spellen vormen in zekere zin een geheugen van de ontdekkingen, tegelijk proberen ze deze vast te leggen in vorm. Dat lukt niet.
Maar goed, ik dwaal af. Het ging om de relatie tussen kunst en humor. Maar dus eigenlijk over grappig zijn en ontvankelijkheid voor grappigheid en de mogelijkheid om kunst te kunnen maken. Ik weet dat velen deze relatie pijn zal doen. Men zal weigerachtig reageren. Want we willen allemaal zo verschrikkelijk graag serieus genomen worden! Serieus genomen worden geeft ons meer erkenning, dan dat iemand hard lacht om onze grap. Wat jammer! Wat kunnen we veel leren van dit zen verhaal. Voor de serieusheid zijn er daarom instituten bedacht. Dat zijn een soort sociale consensusdragers met een muurtje eromheen, meestal stoelen en tafels erin. Mensen hebben er functies. Daar worden de spellen vastgelegd en bewaakt. Dat is een hele hoop werk hoor.
Een instituut voor humor. Dat is er volgens mij nog niet. Gelukkig maar. Dat legt wel bloot dat er een lastige paradox zit met spontane dingen, je kunt ze niet institutionaliseren. Net zo min als kunst.