Deconceptualiseren in meditatie en moderne kunst
Een belangrijk aspect van wat we meestal benoemen als Oosterse spiritualiteit is het deconceptualiseren van de werkelijkheid of de ervaring van de werkelijkheid eigenlijk. Daar kom ik op terug. Met name in de vroege moderne kunst zie je een soortgelijk fenomeen, waarbij dan het concept ‘kunst’ centraal staat in de inspanning om te deconceptualiseren. Oftewel, wat kunst is wordt daarbij steeds verder ‘opgerekt’, het concept wordt ruimer gemaakt. Dat gebeurt met een ruimere manier van middelen en manieren waarop kunst word ‘bedreven’. Je ziet dat men in de geschiedenis van de moderne kunst ook vaak afscheid neemt van überhaupt het begrip kunst, of bijvoorbeeld niet meer praat over sculpturen, maar over ‘objecten’. Dat vind ik een interessante parallel en daar wil ik wat dieper op ingaan.
Ik deed net een geleide meditatie op de vier elementen (link). De meditatie houdt in dat je de waarneming in ‘je lichaam’ registreert aan de hand van vier elementen, feitelijk vier aspecten. Bijvoorbeeld het element aarde. Overal waar je druk of kracht voelt, benoem je bewust: ‘aarde’. Voel je warmte of kou, dan registreer je: ‘vuur’. Met een dergelijke meditatie ‘reconceptualieer’ je in feite. Waar je lichamelijke ervaringen neigt te benoemen als ‘pijn aan mijn voet’ of ‘jeuk aan mijn neus’ overschrijf je dit nu. Daarmee komt het concept ‘lichaam’ op lossere schroeven te staan, het raakt gedeconceptualiseerd. De idee is dat je dus invloed kunt hebben op hoe je iets ervaart. Ik weet niet of het iets zegt als je dit zo leest zonder de ervaring te kennen, maar ik hoop in ieder geval dat ik er iets van overbreng.
Laten we vanuit bovenstaande eens naar de kunst kijken. Wanneer we een landschap waarnemen of een ander mens, of een dier. Dan kunnen we dit gelijk conceptualiseren in een ‘automatische reactie’: “wat mooi zeg die zonsondergang, oh daar heb je hem weer, hé een jachtluipaard, die zijn echt snel heb ik gelezen”. De kracht van de kunstenaar is echter dat deze dan wel een ‘aspect’ van de ‘realiteit’ uitlicht of versterkt, dan wel de realiteit in zijn geheel ‘anders’ benadert of weergeeft. Daar heb je ook nog geen ‘moderne’ kunst voor nodig. Een Vermeer die het meest ‘gewone dagelijkse tafereel’ verheft doet dat ook. Vermeer geeft geen ‘betekenis’, nee hij bevriest eerder de ervaring of het gemoed van het waarnemen zelf.
Bij de moderne kunst komt die vraag naar ‘betekenis’ echter steeds hardnekkiger bovendrijven. Begrijpelijk ook, omdat juist de conceptuele vastigheid, de taal tussen mensen feitelijk, op losse schroeven komt te staan. Om even terug te gaan naar de meditatie. Als ik opeens in andere termen ga communiceren en het niet meer heb over mijn voet, maar zeg ‘er is het gevoel van warmte’. Dan gaat iemand die hier niet bekend mee is vragen: wat bedoelt hij nou? ‘Oh, hij heeft gewoon pijn aan zijn voet? Oh ok, nou snap ik het’. Dat is wat je in musea soms hoort als je een rondleiding krijgt langs hedendaagse kunst. “De kunstenaar bedoelt….”.
Dat is wellicht ook de paradox vanaf de moderne kunst, dat deze ‘moeilijk’ wordt, zichzelf moet uitleggen. Dat is een probleem dat we nu even laten rusten.
Waar we het over hadden was het fenomeen van deconceptualisering van de kunst. Dat zien we in de vroege moderne kunst werkelijk exploderen. In twintig jaar tijd verandert de kunst totaal, alles kan nu als medium ‘tot kunst’ worden gebruikt. De conceptuele ruimte is enorm vergroot. Voor de kunstenaar althans.
Waar het in dit artikel over gaat, is dat het proces van deconceptualiseren zoals dat ‘getraind’ kan worden door meditatie, dat dit een parallel heeft met het proces binnen ‘de kunst’ of beter gezegd binnen ‘de cultuur’. De kunstenaar krijgt de mogelijkheid diens ‘perceptie’ of ervaring van de werkelijkheid helemaal tot uitganspunt te nemen. De mogelijkheid om te reconceptualiseren en daar uiting aan te geven. Een klassiek landschapschilderij heeft een ‘taal’ die kunstenaar en beschouwer ‘gemakkelijk’ verbindt. Ze spreken ongeveer dezelfde conceptuele taal. De moderne kunstenaar verkent echter nieuwe concepten en ‘omschrijft’ wat deze ervaart in diens – zeg even -beeldend werk. Dit proces vergroot dus de ‘ruimte’, maar ook de afstand tot het publiek. Maar daar gaan we een andere keer wel weer over verder.