Kunstenaarsbezoek: “Ziel geven aan steen”, Frank Linsewski

Ik rijd door een Utrechts coulissen-landschap van weiden en stukjes bos, ergens tussen Soest en Amersfoort. Naast de provinciale weg parkeer ik de auto bij een grote klassieke stal met een gigantisch puntdak. De temperatuur is rond de nul en het waait. Wat verloren loop ik over het erf op zoek naar het atelier van beeldhouwer Frank Linsewski. Dan zie ik een klein bordje met zijn naam en via een modderig paadje kom ik aan bij zelfgebouwde constructie waarvan één kant bedenk is met doorzichtig zeil. Eenmaal binnen zit ik in onder een golfdak boven houten wanden, met daarbinnen weer een mini-tuinhuisje. Er zijn drie cursisten aan het hakken en schuren, type baby-boomer. In het midden brandt een kachel en er staan daar twee klapstoeltjes waarin we plaatsnemen. Binnen is het nauwelijks warmer dan buiten, maar bij het licht van het vuur en met een mok hete thee is het goed te doen. Frank is volledig ingepakt in vele lagen kleding met als buitenste laag een werkbroek en een houthakkersjas, zijn gezicht verdwijnt grotendeels onder muts en capuchon. Hij had een shag roker kunnen zijn, maar hij rookt filtersigaretten. Hij is te jong voor een babyboomer, maar de pensioenleeftijd komt eraan. Aan de muur hangen een aantal foto’s van werken van Brancusi en Giacometti. “Waar geen wil is, is een weg” vormt een van de motto’s, te lezen op de houten wand. Tegenover de wand – waar het doorzichtig zeil hangt met uitzicht op de velden – staan vele blokken steen, gereedschap en een prachtig werk van hout met steen, waarbij hout en steen als een soort skelet van een ruggengraat heen en terug buigen. “Mensen moeten eerst maar eens leren te verbinden met hun handen” zegt Frank. Hij vertelt over hoe de handen intelligent zijn en hoe hij zijn handen traint. Jarenlang heeft hij gewerkt aan het maken van een stenen bol. Om zijn handen te leren wat een bol eigenlijk is, je kunt dat immers met het hoofd niet weten. “Op de kunstacademie leren ze dat niet meer” gaat hij verder, “ik moest laatst een student daar begeleiden omdat ze er geen docenten beeldhouwen meer hebben, ze leren daar alleen nog maar lullen en op de computer klooien”. Frank is niet wars van kritiek en boosheid. Zoals het een kunstenaar betaamt zou ik bijna zeggen. “Maar er zijn ook lichtpuntjes”. Hij vertelt dat hij een nieuwe auto heeft gekocht, een Mazda. “Bij Mazda maken beeldhouwers de auto op ware grootte, daarna komen de mensen die kijken hoe het licht werkt in de verschillende seizoenen. Dan pas gaan de technische mensen er mee verder. Nou dat zie je hoor, je moet zo maar kijken op de parkeerplaats”. We komen te spreken over het kunstenaarsleven vandaag de dag en welke uitdagingen dit met zich meebrengt. Hoe autonoom en toch verbonden? De ivoren toren heeft een prijs. De instituten dwingen je echter naar oppervlakte en ideologie. “In Amsterdam is alle kunst Woke, maar dat heeft met kunst niets meer te maken, het is de race om het ergste slachtofferschap”. Hij komt vaker in Amsterdam tegenwoordig, omdat hij een half jaar terug getrouwd is met een Amsterdamse. Ze is violiste in het concertgebouw-orkest. “Topsport is dat, het mooie is dat ik nu naar al die concerten kan en zelfs mee kan naar buitenlandse concerten, zoals in Berlijn laatst”. Zijn vrouw is net als hijzelf Duits ‘van origine’, ze spreken “wiederdeutsch” met elkaar grapt hij. Ze hebben al een woordenboekje gemaakt met woorden. Frank woont al heel lang in Nederland, hij is ‘eigenlijk’ pianist, maar heeft veel gedaan in de psychiatrie. Op een dag besloot hij volbloed kunstenaar te worden. Een dag voor zijn uitkering afliep schreef hij zich in als zelfstandige. Het was knokken. “Ergens mis ik dat wel, het gaf je drive, je moest doorwerken anders kwam er geen boterham”. Tijdens ons gesprek wordt er hier en daar een grap gemaakt met een cursist of een vraag beantwoord. “Het les geven geeft een mooie aansluiting met de maatschappij, het heeft nut. Anders ben je alleen maar met jezelf bezig, dat houd ook een keer op. Daarbij heb ik wel eens in een jaar 12 tentoonstellingen gedaan zonder verkoop. Dan betaal je ook nog eens mee voor die lullige foldertjes en de droge koekjes bij de koffie. Ben daar wel klaar mee en met die atelierroutes en alles. Daarbij zijn de meeste kunstenaars daar maar madammetjes die met de creditcard van hun man de boel regelen. Met kent daar maar twee woorden: mooi of apart, voor als ze het niks vinden. Je mag niet doorvragen naar het werk, er zit niks achter”. Liever verkoopt Frank nu via de contacten die hij in de loop der jaren heeft opgedaan.
“De wereld bestaat eigenlijk uit beelden en verhalen, de rest is onbelangrijk”  vertelt Frank. “Iemand vroeg ooit aan Einstein wat hij zou moeten doen zodat zijn kind slim wordt? “Veel sprookjes lezen” zei Einstein. Maar wat als je dan wil dat het kind nog slimmer wordt? “Nog meer sprookjes lezen”, zei de natuurkundige. “.
We spreken over de relatie tussen kunstenaar en publiek. “Je wil mensen laten zien wat donker en licht is, de grens tussen materiaal en doorschijning”. “Je kunt alleen via je handen ziel aan het werk geven. Dat proces van bezieling, dat wil je aan het publiek invoelbaar maken. Dat is een proces dat het hoofd niet kan doen, dat kan alleen met de handen”. Dat brengt de kritiek op de beeldhouwerloze kunstacademie in een helder daglicht.
Frank wekt de gedachte bij me op dat er eigenlijk niet zoveel verandert aan de kunstenaar, hoogstens aan de kunst. Honderd jaar geleden zouden Brancusi en Giacometti er niet heel anders over denken.
Terug bij de auto kijk ik met andere ogen naar de Mazda.

www.franklinsewski.nl

Deconceptualiseren in meditatie en moderne kunst

Een belangrijk aspect van wat we meestal benoemen als Oosterse spiritualiteit is het deconceptualiseren van de werkelijkheid of de ervaring van de werkelijkheid eigenlijk. Daar kom ik op terug. Met name in de vroege moderne kunst zie je een soortgelijk fenomeen, waarbij dan het concept ‘kunst’ centraal staat in de inspanning om te deconceptualiseren. Oftewel, wat kunst is wordt daarbij steeds verder ‘opgerekt’, het concept wordt ruimer gemaakt. Dat gebeurt met een ruimere manier van middelen en manieren waarop kunst word ‘bedreven’. Je ziet dat men in de geschiedenis van de moderne kunst ook vaak afscheid neemt van überhaupt het begrip kunst, of bijvoorbeeld niet meer praat over sculpturen, maar over ‘objecten’. Dat vind ik een interessante parallel en daar wil ik wat dieper op ingaan.

Ik deed net een geleide meditatie op de vier elementen (link). De meditatie houdt in dat je de waarneming in ‘je lichaam’ registreert aan de hand van vier elementen, feitelijk vier aspecten. Bijvoorbeeld het element aarde. Overal waar je druk of kracht voelt, benoem je bewust: ‘aarde’. Voel je warmte of kou, dan registreer je: ‘vuur’. Met een dergelijke meditatie ‘reconceptualieer’ je in feite. Waar je lichamelijke ervaringen neigt te benoemen als ‘pijn aan mijn voet’ of ‘jeuk aan mijn neus’ overschrijf je dit nu. Daarmee komt het concept ‘lichaam’ op lossere schroeven te staan, het raakt gedeconceptualiseerd. De idee is dat je dus invloed kunt hebben op hoe je iets ervaart. Ik weet niet of het iets zegt als je dit zo leest zonder de ervaring te kennen, maar ik hoop in ieder geval dat ik er iets van overbreng.
Laten we vanuit bovenstaande eens naar de kunst kijken. Wanneer we een landschap waarnemen of een ander mens, of een dier. Dan kunnen we dit gelijk conceptualiseren in een ‘automatische reactie’: “wat mooi zeg die zonsondergang, oh daar heb je hem weer, hé een jachtluipaard, die zijn echt snel heb ik gelezen”. De kracht van de kunstenaar is echter dat deze dan wel een ‘aspect’ van de ‘realiteit’ uitlicht of versterkt, dan wel de realiteit in zijn geheel ‘anders’ benadert of weergeeft. Daar heb je ook nog geen ‘moderne’ kunst voor nodig. Een Vermeer die het meest ‘gewone dagelijkse tafereel’ verheft doet dat ook. Vermeer geeft geen ‘betekenis’, nee hij bevriest eerder de ervaring of het gemoed van het waarnemen zelf.
Bij de moderne kunst komt die vraag naar ‘betekenis’ echter steeds hardnekkiger bovendrijven. Begrijpelijk ook, omdat juist de conceptuele vastigheid, de taal tussen mensen feitelijk, op losse schroeven komt te staan. Om even terug te gaan naar de meditatie. Als ik opeens in andere termen ga communiceren en het niet meer heb over mijn voet, maar zeg ‘er is het gevoel van warmte’. Dan gaat iemand die hier niet bekend mee is vragen: wat bedoelt hij nou? ‘Oh, hij heeft gewoon pijn aan zijn voet? Oh ok, nou snap ik het’. Dat is wat je in musea soms hoort als je een rondleiding krijgt langs hedendaagse kunst. “De kunstenaar bedoelt….”.
Dat is wellicht ook de paradox vanaf de moderne kunst, dat deze ‘moeilijk’ wordt, zichzelf moet uitleggen. Dat is een probleem dat we nu even laten rusten.
Waar we het over hadden was het fenomeen van deconceptualisering van de kunst. Dat zien we in de vroege moderne kunst werkelijk exploderen. In twintig jaar tijd verandert de kunst totaal, alles kan nu als medium ‘tot kunst’ worden gebruikt. De conceptuele ruimte is enorm vergroot. Voor de kunstenaar althans.
Waar het in dit artikel over gaat, is dat het proces van deconceptualiseren zoals dat ‘getraind’ kan worden door meditatie, dat dit een parallel heeft met het proces binnen ‘de kunst’ of beter gezegd binnen ‘de cultuur’.  De kunstenaar krijgt de mogelijkheid diens ‘perceptie’ of ervaring van de werkelijkheid helemaal tot uitganspunt te nemen. De mogelijkheid om te reconceptualiseren en daar uiting aan te geven. Een klassiek landschapschilderij heeft een ‘taal’ die kunstenaar en beschouwer ‘gemakkelijk’ verbindt. Ze spreken ongeveer dezelfde conceptuele taal. De moderne kunstenaar verkent echter nieuwe concepten en ‘omschrijft’ wat deze ervaart in diens – zeg even -beeldend werk. Dit proces vergroot dus de ‘ruimte’, maar ook de afstand tot het publiek. Maar daar gaan we een andere keer wel weer over verder.

Het nationaal instituut voor humor

Als je eenmaal de aangeleerde concepten loslaat, dan ontstaan er verrassende nieuwe conclusies over hoe de zaak in elkaar steekt. Enkele jaren geleden kwam ik tot de conclusie dat kunst en religie zijn als twee rivieren uit één bron en dat opende een nieuwe wereld voor me. De laatste tijd zie ik iets soortgelijks met humor. Humor en kunst delen ook veel met elkaar. Dit is moeilijk te begrijpen (net als bij kunst en religie) als je vanuit een materialistisch wereldbeeld vertrekt. Dat beeld is wellicht het meest verwarrende en onzinnige beeld dat de mens in zijn geschiedenis ooit heeft bedacht. Maar dat terzijde. Als we de wereld zien als een verloop van processen, gemoedstoestanden waarin wezens zich bevinden en overgangen van het een naar het ander, dan wordt de zaak – uiteindelijk – een stuk interessanter. Relevanter. Als mens althans. Voor robots en economie, waar we tegenwoordig voor lijken te leven, is het niet interessant.

Humor als proces dus. We weten, omdat we mens zijn, dat we op het ene moment meer in staat zijn tot het produceren van grappigheid, dan op het andere. We kunnen op het ene moment ook makkelijker lachen om dingen dan het andere. Gemoedstoestand is dus een ding hierbij. In de Zen en dacht ook het Taoïsme, is humor dan ook een ding dat serieus genomen wordt. Hier een voorbeeld van een bekend zenverhaaltje.

Er is een zen‑priester die aan een dinertafel zit in een traditionele eetgelegenheid waar iedereen rond lage tafels zit, en voor elke gast staat een klein grillletje met hete kolen. Geisha’s (of serveersters) bedienen de gasten.

De priester merkt een van de vrouwen op — zij draagt zich zeer aanwezig en kalm — en vermoedt dat zij zen‑getraind of -bewust is. Hij wil haar testen.

Hij roept haar en zegt:

“Ik wil je een geschenk geven.”
Vervolgens pakt hij met eetstokjes een gloeiend kooltje uit de grill en biedt het haar aan.

De vrouw aarzelt niet. Ze trekt haar kimono‑mouwen over haar handen, pakt het kooltje vast, loopt naar de keuken en gooit het in een pan water. Haar handen zijn niet verbrand, maar haar mooie kleding is beschadigd.

Ze keert terug naar de priester, buigt, en zegt:

“Nu wil ik u een geschenk geven.”

Ze pakt een heet kooltje van zijn grill en biedt het hem aan. De priester haalt een sigaret tevoorschijn, steekt die aan met het kooltje en zegt:

“Dank u. Dat is precies wat ik wilde.”

————————————————-

Het in het hier en nu zijn, aanwezig zijn – ja dat weer – is namelijk ook af te meten aan de spontaniteit waarmee iemand kan reageren en het ligt heel dicht bij humor. Dat is dus een ideaal in deze stromingen. Wat heeft dit nu met kunst te maken? Op procesniveau en op gemoedsniveau alles. Want het maken van kunst vergt ook een zekere spontaniteit, een reageren, een meegaan met het onverwachtse, zonder er eerst over na te gaan denken. Nadenken leidt immers tot voorspelbare cliché’s. Tegelijk deelt het met humor dat het interessant wordt als er ‘iets niet aan klopt’, als er een ruimte open komt te liggen die er voorheen niet was. De verwondering gaat vaak over het feit dat er een ‘nieuwe ruimte’ blijkt te zijn. Het is ook het gebied van spelen. Ik dacht dat het de filosoof Gadamer was die hier een interessante theorie over heeft. (hier daar meer over). Als ik het me goed herinner wordt er dan ook een belangrijk verschil gemaakt tussen spelen en spel(letje). Spelen heeft namelijk geen regels of wetmatigheden. In tegenstelling tot een spel zoals voetbal, waarbinnen je handelt volgens patronen.

Je kunt de geschiedenis lezen als een spelen, waarbij steeds vanuit dat spelen spellen worden ontwikkeld: dit is kunst, dit is het spel. Dan wordt het weer opengebroken en ontstaat een nieuw spel: dit is nu kunst, dit is het spel. Eigenlijk is dat met alles. Zo heb ik wel eens een filosofiestudent horen zeg: “daar gaat filosofie helemaal niet meer over, dat gaat over….” . Ook religie verandert zo, vaak met enorme energieën gepaard gaand. Het zijn sociale processen waarin van spelen spellen worden gemaakt. Die spellen vormen in zekere zin een geheugen van de ontdekkingen, tegelijk proberen ze deze vast te leggen in vorm. Dat lukt niet.

Maar goed, ik dwaal af. Het ging om de relatie tussen kunst en humor. Maar dus eigenlijk over grappig zijn en ontvankelijkheid voor grappigheid en de mogelijkheid om kunst te kunnen maken. Ik weet dat velen deze relatie pijn zal doen. Men zal weigerachtig reageren. Want we willen allemaal zo verschrikkelijk graag serieus genomen worden! Serieus genomen worden geeft ons meer erkenning, dan dat iemand hard lacht om onze grap. Wat jammer! Wat kunnen we veel leren van dit zen verhaal. Voor de serieusheid zijn er daarom instituten bedacht. Dat zijn een soort sociale consensusdragers met een muurtje eromheen, meestal stoelen en tafels erin. Mensen hebben er functies. Daar worden de spellen vastgelegd en bewaakt. Dat is een hele hoop werk hoor.

Een instituut voor humor. Dat is er volgens mij nog niet. Gelukkig maar. Dat legt wel bloot dat er een lastige paradox zit met spontane dingen, je kunt ze niet institutionaliseren. Net zo min als kunst.

Religie en de taal van het onderbewustzijn

Willen we religie begrijpen dan kunnen we wellicht bepaalde ervaringen uit ons leven gebruiken. Bijvoorbeeld de ervaring van de droom. In de droom nemen we een domein waar, waar de regels van tijd en ruimte zoals we die in het dagelijks leven kennen, niet gelden. In droom gaat het om associatie en intensiteit. We kunnen in een droom iemand tegenkomen die onze zus is en tegelijk heel iemand anders. We kunnen ook een plek waarnemen die ons huis van geboorte is en tegelijk een ander huis. We bevinden ons in het domein van het onderbewuste, waar een symbolische taal ‘heerst’.
Dromen an sich zijn een zeer interessant domein waar bijvoorbeeld Erich Fromm een zeer interessant boek over heeft geschreven dat ik kan aanraden. In de moderne tijd is er soms wel interesse voor dromen ook, bijvoorbeeld bij de psycho-analyse. Daarbij kijken vanuit ons dagbewustzijn naar de betekenis van de droom en proberen hier iets van te leren.
We kunnen echter ook een omgekeerde weg volgen, namelijk naar het onderbewustzijn en naar diens taal toe. Dat is de weg van zowel kunst, religie als mythologie. Het zijn pogingen de mens direct in zijn onderbewustzijn aan te spreken. In tekst, in beeld, in rituelen. Direct op het onderbewustzijn in te werken. Het ‘verstand passerend’ zou je kunnen zeggen. Als we aannemen dat we allemaal uiteindelijk worden ‘gedreven’ vanuit ons onderbewustzijn, dan realiseren we de kracht hiervan. We kunnen ons dan ook realiseren hoe het ontbreken van enige begeleiding in de omgang met dit domein, gevaren met zich meebrengt. Tegelijk is een ‘verkeerde’ begeleiding natuurlijk ook altijd een risico.
Als we vanuit historisch perspectief kijken, dan denk ik dat je kunt zeggen dat verschillende religies op totaal verschillende manieren met dit domein zijn omgegaan. In het voorchristelijke germaans-heidendom bijvoorbeeld wordt er veel aandacht besteed aan de voorouders. De voorouders – modern psychologisch vertaald – zijn de vaste inwoners van ons onderbewuste. Via rituelen worden de voorouders ook betrokken in het wakkere bewustzijn. Rituelen vinden meestal plaats op het tussenvlak van onder- en dagbewustzijn.
Voor de moderne mens zijn mythologie en rituelen vaak moeilijk te begrijpen omdat we zijn opgegroeid met de idee dat er zoiets bestaat als een materiële werkelijkheid en daartegenover ‘verzinsels’. Hoe anders is dat bijvoorbeeld in het Boeddhisme waarin de werkelijkheid juist een creatie van de geest is! Dat vormt dan ook de basis voor het hele ‘systeem’.

 

 

 

 

 

 

Denkruimte, democratie en waardigheid

Men zegt wel dat een democratie pas zijn brevet heeft gehaald als de macht twee keer overgegaan is, terwijl de democratie continuïteit vertoonde. Soms denk ik dat je dit ook over een individu kunt zeggen. Wij worden geboren en getogen binnen een bepaald gedachtegoed. Ergens in ons leven gaan we hopelijk zien dat dit niet het enige is en verkennen we ook ander gedachtegoed of andere manieren van leven. Misschien voelen we ons verraden, misschien vluchten we terug, of misschien vluchten we niet, maar realiseren we ons de warmte van onze eerdere wereld en verkiezen we daar naar terug te keren.

In mijn eigen leven zie ik continu hoe er nieuwe manieren van kijken en denkwijzen verschijnen. Ik wist dingen zeker en die bleken niet te kloppen. Ik wist wat goed was, hoe het zat. En nog steeds. En dan opeens is er weer een heel andere ervaring, een inzicht en alles gaat in zekere zin weer op de schop. Ergens is dat pijnlijk, vermoeiend, zoals de uitdrukking al doet vermoeden. Tegelijk schept het heel veel ruimte. Een ruimte die ook uitputtend kan zijn. Uitputtend als je deze expansie probeert te omschrijven, vast te pinnen. Het is de houding ten opzichte van die toegenomen ruimte, die bepaalt hoe deze ervaren wordt. Het lekkere is namelijk, dat er ook heel veel spanning wegvalt, morele spanning. Strijd. De strijd blijkt altijd persoonlijk te zijn. Daar zit een rare paradox in. Ik denk dat je namelijk een ‘externe strijd’ kunt voeren, zelfs letterlijk in een oorlog, zonder dat hier een persoonlijk strijd – als in: het ervaren van spanningen – bij komt kijken. Tegelijk kun je je hele leven een interne strijd voeren, zonder ooit een vinger te verroeren.
Ik moet ook denken aan het Oosterse verhaal over de Samurai die zijn vermoorde meester gaat wreken. Hij wordt door de dader in zijn gezicht gespuugd wanneer hij hem aanvalt. Dat maakt hem woest en daarmee heeft hij de verkeerde motivatie en verlaat het gevecht. Als de strijd dus persoonlijk wordt is deze onwaardig! We moeten dit bezien binnen een cultuur die waardigheid hoog in het vaandel heeft staan en in feite is dit de oosterse uitleg aan het begrip ‘rationaliteit’: gespeend van emoties. Dat staat haaks op de westerse variant, waarbij emoties ontkent worden en men daar dus geen opdracht voor zichzelf ziet, maar het uitbesteed aan het construct van een wetenschappelijke methode.

In het Boeddhisme is waardigheid een centraal begrip. Het vormt een richtlijn voor de houding in zowel spreken als handelen. De opdracht zit er in zichzelf niet te laten meevoeren door verlangens of angsten terwijl men handelt of spreekt.

Vanuit dat bezien kun je de toegenomen ruimte die ik eerder beschreef omarmen, omdat het een afbreken vormt van de ’te verdedigen waarheden’. Je hoeft dus minder te verdedigen en kunt je aandacht zelf richten, in plaats van dit je in een strijd wordt getrokken. Het is dan ook makkelijker om je waardigheid te behouden.
Zo kun je ook kijken naar de uitspraak van Jezus “Keer je tegenstander de andere wang toe”. Laat je niet afleiden, laat je niet meesleuren door wat je tegenkomt, richt je aandacht niet op hetgeen zich als tegenstander manifesteert. Houd je aandacht vast, behoudt continuïteit. Behoudt waardigheid.
Zo zijn we ook weer rond. Voor democratie is waardigheid nodig. Om continuïteit te behouden is het nodig dat we ons niet richten op het benoemen en bestrijden van tegenstanders, maar op wat zich voordoet in de werkelijkheid, in het land, in de wereld.

 

Ken u zelve

Van minimaal de oude Grieken tot hedendaagse vrijmetselaars is dit voor velen het lemma. “Ken u zelve”.
Wat betekent zo een uitspraak? Bij de uitleg lopen we tegen een paradox aan. Want het is ons wereldbeeld waarmee we deze uitspraak bezien en dat bepaald ook de opdracht die eruit voort komt. Een Verlichtte/ Moderne interpretatie zou kunnen zijn: ken je psyche. Weet hoe je bent, hoe je reageert, ken je gevoeligheden, etc. De uitspraak “ken u zelve” heeft maar drie woorden, maar alledrie zijn ze allesbehalve vanzelfsprekend. Laten we eens naar die drie woorden kijken. Ken. Je kunt dit als een oproep lezen, in gebiedender wijs van het werkwoord kennen. Daarover hebben filosofen al boeken vol geschreven, maar voor nu wil ik slechts even een tipje van sluier oplichten over de ruimte die hier zit. Kennen lezen wij modern bezien meestal als ‘bepalen, vaststellen’. We lopen door een weiland en kennen een bepaalde bloem en zeggen: dat is een madeliefje. We hebben het vastgesteld. Hieraan is onbewust een heel proces aan vooraf gegaan waarin is afgesproken wat een madeliefje is, enzovoort. Laten we hier eens mee gaan experimenteren. Stel nu, we doen het zelfde met een rups. Je voelt de bui al hangen. Die wordt op een gegeven moment een vlinder. Dan is de factor tijd toegevoegd. Tijd is verandering. Niet alleen de rups wordt een vlinder, maar in diezelfde tijd wordt die vrolijke man, een boze man. Hoe kun je dan iets kennen als het veranderd? Dat kan dus eigenlijk niet. Al helemaal in de context van ken u zelve, want hoe kun je nu iets kennen dat continu verandert en waarbij ook nog eens de interpratie door de ‘kenner’ telkens verandert? Onmogelijk om vanuit een veranderend subject (ik) een veranderend object (jezelf) te kennen. De moderne interpretatie is wat mij betreft dus niet bruikbaar.
Toch heeft deze uitspraak velen bezig gehouden. Dat komt omdat er ook anders naar gekeken kan worden. “Je begrijpt het als je het ziet” zou Cruijf zeggen. Laten we verder kijken. Ken u zelve. U zelve lijkt voor de hand te liggen. Maar daar zit hem nu juist de crux en ook meteen de afstand tussen het moderne wereldbeeld en bijvoorbeeld het Boeddhistische. Modern denkend, denk je bij u zelf aan je lichaam en de psyche die daar ergens in verstopt zit. In het Boeddhisme ligt het anders. Daar is er de ‘eigenlijke Boeddha natuur’ de ‘kern’, het u zelve en gaat het erom dat zelf te leren kennen. Waarbij kennen dan eerder ‘ervaren’ betekent. Dat ervaren kent vervolgens geen ‘u’, althans niet ‘in’ de ervaring. Het is juist het moment waarop de mens zichzelf ‘vergeet’. Een mooie paradox, of eigenlijk een taalprobleem. Voor het Boeddhisme zijn lichaam en psyche één en hetzelfde, verschillende lagen van hetzelfde zou je kunnen zeggen. Je kunt daarbij denken aan de lichamelijke reactie die bij emoties hoort, blozen, warm worden, de vuisten ballen, enzovoort. Bij dieren zie je het ook goed, de dikke staart van een kat drukt angst uit. Voor het Boeddhisme (en ik denk alle mystieke religievarianten) is er een bewustzijn dat niets met die psyche van doen heeft. Het samenvallen met dat bewustzijn, het ervaren van de eigenlijk gelukzalige Boeddha natuur, dat is waar men ‘zichzelf’ leert kennen.
Hoe het bij de oude Grieken zat kan ik wel iets over zeggen, vanuit de Griekse mystiek. Er waren in Griekenland plekken waar mensen van hogere leeftijd, die een bepaalde ontwikkeling kenden, konden worden ingewijd in het ‘ken u zelve’. Met behulp rituelen waar gebruik werd gemaakt van hallucinerende middelen, kreeg men ervaringen die het begrip van ‘het zijn’ en ‘het zelf’ deden uitbreiden. Men werd ingewijd in de aard van de realiteit, hetgeen uiteindelijk hetzelfde is als ‘ken u zelve’. Misschien was het niet heel anders bij allerlei Indiaanse stammen. Het Hindoeïsme kent natuurlijk ook net als het Boeddhisme allerlei methoden om de ervaring te doen kantelen en op die manier ‘zichzelf’ te leren kennen.
Qua methoden of rituelen weet ik het eigenlijk niet zo in het Christendom op dit punt. Ik hoor er graag meer over. Wel wordt er door Jezus herhaaldelijk naar verwezen als hij het heeft over Het Koninkrijk Gods, tenminste als je net als ik er vanuit gaat dat dat een ervaringstoestand is. Lucas 17:20-21
“Het Koninkrijk van God komt niet op een waarneembare manier, en men zal niet zeggen: ‘Kijk, hier is het!’ of ‘Daar is het!’ Want zie, het Koninkrijk van God is in uw midden.”

Van weten naar worden

Het was voor mij heel inspirerend om ‘Zen en de kunst van het motoronderhoud‘ te lezen – ik geloof dat ik hem ook twee keer las. Hierin wordt Henri Poincaré opgevoerd met zijn theorie dat voor ieder fenomeen oneindig veel hypothesen op te stellen zijn. De implicaties hiervan zijn gigantisch en in feite ondermijnen ze compleet het hele modern-wetenschappelijke construct. Het impliceert dat je in feite geen waarheid kunt vaststellen, maar alleen een gebied van aandacht kunt vaststellen. Dat betekent dat het wetenschappelijke proces, eigenlijk meer zegt over de samenhang tussen de vraagstellers, dan over de werkelijkheid die zij onderzoeken. De samenhang tussen hen ligt simpelweg in een vertelsel of narratief dat de vraagstellers bindt. Men stelt de vragen die dat vertelsel bevestigen. Zo schept men een bepaald aandachtsgebied of realiteit. Dat geldt zowel binnen de moderniteit, als binnen bijvoorbeeld een Christelijk of ander denksysteem of vertelsel. Uiteindelijk is het proces rondom het vertelsel (paradigma) een sociaal proces, waarbij men elkaar in de gaten houdt en wijst op de grenzen van het paradigma. Binnen dat paradigma zijn de helden zij die praktische resultaten halen die het paradigma bevestigen. Zekerheid geven, bevestiging.
David Bowie zingt ‘I don’t want knowledge, I want certainty’, daarmee de mens typerend. Hoewel, misschien is het niet alleen de moderne mens, het is de mens überhaupt. Misschien kun je zelfs stellen: het sociale dier überhaupt. We zijn sociale dieren, zo overleven we en daarom zijn we zo sterk afgestemd op elkaar. De Vertelsels van de primitieve mens in zijn holen zijn niet wezenlijk anders dan die van de mens in zijn hoge flatgebouwen en zijn hoge technologie. Het is zijn manier om met elkaar af te stemmen, betekenis te geven, taken te verdelen, enzovoort. Meer is het niet. Misschien is het einde van een paradigma in zicht wanneer een groeiende groep mensen er niet meer in gelooft, wanneer men de barsten begint te onderzoeken. Misschien is het zo dat men er niet meer in gelooft omdat men ziet dat het ‘het lichaam’, het collectief waartoe men behoort, begint te vervallen. De zoektocht naar nieuwe paradigma’s intensiveert.
Dat gezegd hebbende moeten we ook naar de andere kant kijken, waarin de mens zich ‘direct’ verhoudt tot de werkelijkheid, zonder doel. Dan is immers geen hypothese nodig en komt het vertelsel meer op de achtergrond te staan. Je zou dit het ‘verworden’ kunnen noemen. Een proces waarbij het er niet om gaat de werkelijkheid te omschrijven en ‘buiten zich’ te plaatsen, maar er juist één mee te worden. In de Christelijke traditie heeft men het wel over ‘Door het Vlees’. Ik gebruik ‘verworden’, omdat het fundamenteel gaat om een dynamisch proces, alles stroomt namelijk en het verbinden met de stroom betekent zelf te gaan stromen. Eigenlijk is er dus geen zelf, er is alleen maar stromen. Binnen groeit naar buiten en buiten groeit naar binnen. Dit kan een vorm hebben die wij geneigd zijn ‘mystiek’ te noemen of via meditatie, enzovoort. Maar het kan ook via de poëzie, de kunst in zijn algemeenheid, of door in de natuur te verblijven. De grens tussen religieus en niet-religieus is wat dat betreft voor mij ook een vertelsel. De essentie zit hem veel meer in de houding.

Ooit deed ik een Vipassanna retraite (11 dagen in stilte mediteren) in Thailand. Tussen de monniken dus. Daar waren monniken bij zo licht als een veertje, een en al straling. Maar op een dag werd ik gecorrigeerd door een monnik over hoe je precies je hand hoort te bewegen. In hem straalde geen enkel licht. Dat heeft voor de rest van mijn leven verteld: de methode is nooit een garantie. Zo ook is natuurlijk te leren in het boekje Siddharta van Herman Hesse, de vader van mijn naam.

Rutger Kopland over Mystiek

Bij vlagen lees ik in het prachtige boekje ‘Mechaniek van de ontroering’ van Rutger Kopland.

Ik hoop iets te kunnen overbrengen van wat hij zo mooi weet over te brengen. Er is altijd het risico dat het geschrevene buiten de context aan levendigheid verliest, maar goed, ik neem het risico.
Over mystiek – of het numineuze – in proza te schrijven, is misschien wel een onmogelijkheid. Kopland laat zien hoe poëzie echter wel bij uitstek geschikt is om het contact met de mystieke dimensie op te roepen. De poëzie laat dingen ambigue, het is niet dit of dat, het is allebei, net als we in dromen zien en tijdens mystieke ervaringen.

Tijdens een wandeltocht door de natuur, ergens in Italië, zat ik eens op een bruggetje uit te kijken over een snelstromende rivier. Ik zag hoe lichtjes onder doken en weer opsprongen verderop in de rivier. Even was ik deel van een andere wereld, van een andere tijd, een andere dimensie. De wereld had zich anders getoond dan logisch gezien mogelijk was, lichtjes kunnen immers niet duiken. Even had ik het echter toegelaten, even zag ik de wereld zoals deze is. Even is daar het moment waarop het dagbewustzijn en het nachtbewustzijn één worden.

Voor wie dit nooit heeft meegemaakt, zal het altijd onbegrijpelijk blijven ben ik bang, maar laten we kijken wat Kopland er over zegt. Hij beschrijft de poëzie over de numineuze/ mystieke ervaring op dezelfde manier als schreef hij over de ervaring zelf.

“het gevoel en het weten dat de wereld zoals wij die zagen de werkelijke niet was, maar oplost en plaatsmaakt voor de wereld die wij niet kennen, dat is de ervaring waar het om gaat”

We zien dat er vaak raakvlak is tussen het denken over de dood en de mystiek. Dat heeft te maken met dat de mystiek de dood als het ware opent, laat zien dat de dood geen feitelijkheid is, maar een ervaring. Hij verwijst naar een gedicht van Campert:

Elk woord dat wordt geschreven
is een aanslag op de ouderdom
Tenslotte wint de dood, jazeker,

maar de dood is slechts de stilte in de zaal
nadat het laatste woord geklonken heeft
De dood is een ontroering.

“Het besef van een wereld die zich laat zien, zoals hij of zij is, is een besef van eigen tijdelijkheid. Alsof de wereld stolt. Dan pas voel je de tijd.”

Het interessante hier vind ik dat je tegelijk kunt zeggen dat de eigen tijdelijkheid in die ervaring juist wegvalt. Er is alleen nog maar. Doordat ‘je’ uit de tijd bent gegaan, stroomt deze als het ware langs.

Kopland beschrijft hoe juist die kwaliteit van de poëzie, de kwaliteit van het ongedefinieerd laten, het niet-weten, de mystiek als het ware mogelijk maakt. Het zelfde geldt voor de symboliek, ook die is – zoals ik dat noem – radicaal subjectief. Laat ruimte voor de lezer of toeschouwer om er zich op eigen manier toe te verhouden. Daarom is de kunst ook de enige mogelijkheid om over mystiek te communiceren.

Axis Mundi

Bij theaterfestival Vuurol, precies naast het hek van de woning van Prinses Beatrix, kreeg ik de gelegenheid een kunstwerk te maken. Het werd een veertien meter lange kathedraal/kruis/mens, waar een boom uitgroeide, dwars door het hart. Het werk heeft de titel “Axis Mundi”. De Axis Mundi is de Latijnse aanduiding voor het begrip Wereldas of Wereldnavel, ook wel Wereldladder. Het representeert het centrum van de werkelijkheid en is de navel van de tijd-ruimte. Het is het punt waar aarde, hogere en lagere werelden met elkaar in verbinding staan. Vrijwel alle religieuze stromingen, van de Indianen tot de Germanen, kennen dit begrip. Meestal is er zowel een mythische variant, zoals Yggdrasil/Irmindsul, de Axis Mundi/ Wereldboom van de Germanen, als een fysieke boom in de eigen werkelijkheid die de mythische variant representeert.
Vaak vervullen tempels ook de ‘aardse’ variant van de Axis Mundi. In het Christendom is de kerk, te zien als Axis Mundi.
Op de boom staan handafdrukken van hen die ons voorgingen in de zoektocht.


Je kon ook naar binnen. Daar trof je kleedjes aan om op neer te knielen richting De Boom. Al knielend legde je je gezicht in een gat in de aarde, je rook de zoete geur de lente-aarde. In een een zacht flakkerend licht ontwaarde je een tekst. De eerste lange ‘beuk’ had 2 gaten, de andere drie hadden ook ieder een kleedje gericht richting De Boom. In de rechter zijbeuk knielde je richting een Jezusbeeld, aan De Boom gespijkerd. In bovenbeuk richting de Boeddha, in de linkerbeuk richting een Bokkeskelet.

De Axis Mundi is een begrip dat niet makkelijk te begrijpen valt wellicht. De moderne geest is getraind om analytisch te denken, dingen zijn óf dit, óf dat. In de symbolische wereld – waar religies op gebouwd zijn –  gaat dit niet op. Net als in een droom kunnen begrippen vloeiend en dubbel zijn. In een droom kun je iemand tegenkomen die jouw zus is en tegelijk er heel anders uitziet bijvoorbeeld. Dromen spreken tegen je via ‘associatie en intensiteit’, zonder dat er grenzen zijn in tijd en ruimte. In feite is dit sowieso de taal van de geest. Kunst en religie functioneren op het raakvlak van die taal en de ‘afgesproken’ taal. De Axis Mundi staat in zekere zin ook voor de verbinding tussen deze verschillende werelden.

Mycellium Conscius

Sinds 28 april is dit kunstwerk te zien bij De Woudkapel, Beethovenlaan 21 in Bilthoven.

In het kort (onder uitgebreide versie)

Tijdens een reis door de Duitse heuvels zag ik tussen twee bomen door in de vallei een kerktoren liggen in de zon. Deze toren was bedekt door een wezen, ergens tussen schimmel, dier en God. Het wezen was bezig het gebouw te omhullen, over te nemen. Het had ogen, bewustzijn. Wat was dat, wat was hier gaande? Het beeld hield met vast en zette me aan tot denken.

Wat ik zag in dit visioen heb ik van dat Duitse dak verplaatst naar het dak bij de Woudkapel.

De taal van het visioen ligt denk ik dichtbij de taal van droom en mythologie. We kunnen ons daarom afvragen waar we naar kijken, als keken we naar een droom of zien we een tekening bij een mythe. Wie of wat is dit voor wezen en wat komt het doen?

Mycelium Conscius.

Er lijkt een nieuw soort schimmel op onze aarde verschenen, de Mycelium Conscius, een bewuste schimmelsoort. Zelf zag ik het in een visioen, tijdens een autorit in de Duitse heuvels. In een flits tussen de bomen langs de weg door. Het wezen lag bovenop een kerktoren. Onbewogen zat het daar, het gebouw te verteren, zoals een kleed van paddenstoelen op een omgevallen boom. Het had echter vele ogen. Aan de ene kant straalde er een totaal primitieve energie vanuit, aan de andere kant leek het een Godheid. Groots, onaantastbaarheid en ontzagwekkend.
Eenmaal aangekomen bij de kerk bleek het natuurlijk niet echt, maar ‘slechts’ een visioen. Iets in mij had dit beeld in een flits op de kerktoren geprojecteerd. Was het ‘echt’ geweest, dan was het echter van minder betekenis geweest dan in een visioen, realiseer ik me nu. Het beeld bleef bij me en ik probeerde het vast te houden.

De mogelijkheid om dit visioen daadwerkelijk op een kerkgebouw te kunnen maken, was natuurlijk een wonderlijk toeval. De profetische werking vanuit het visioen kon ik hiermee doorgeven.

Ik vraag me vaak of daarmee mijn werk al niet gedaan is. In feite wel, want ik denk dat eenieder zelf kan nagaan wat deze profetie voor hem of haar betekent. Dit vraagt echter nogal wat concentratie en daar komt in dit geval bij dat ik ook slechts toeschouwer van het visioen ben. Nu de opening is geweest en ik enkele reacties heb gehad, wil ik daarom graag verder ingaan op wat naar boven kwam.

Het is denk ik goed om eerst even stil te staan bij schimmels. Als je de wereld zou indelen in enerzijds groei- en delingsprocessen, die wij vaak ‘leven’ noemen en anderzijds afbraakprocessen, die wij vaak ‘dood’ noemen, dan zitten de schimmels vaak meer aan de afbraakkant. Een boom valt om en hij blijft daar niet eeuwig zo liggen, omdat met name schimmels de boom afbreken tot kleine deeltjes waarmee weer vruchtbare aarde ontstaat. De basis voor nieuw ‘leven’.

De meest gehoorde reactie bij leden van De Woudkapel op het werk (ook de naam van de kerk waar het werk tegenaan staat) was: “Een eng wezen valt onze Woudkapel aan. Waarom?”.

Laten we daar eens naar kijken, ook met medeneming van de situatie waar De Woudkapel zich in begeeft. De Woudkapel is een gemeenschap van vrijzinnig protestantse origine. Het ledental is met de jaren afgenomen en sterk vergrijsd en het wordt steeds moeilijker om nog genoeg actieve vrijwilligers te vinden om de zaak te draaien. Daar staat tegenover dat er een uitgebreid inhoudelijk programma is en dat men alles op alles zet om nieuwe concepten te ontwikkelen en op nieuwe manieren relevant te blijven.
Deze situatie is niet uniek in Nederland, veel (voormalig) kerken zitten met vergelijkbare problematiek.

Wat ik in dit kader interessant vindt, is dat het wezen zich lijkt te concentreren op het gebouw. Daar wil ik verder op ingaan, want het is niet vanzelfsprekend dat het gebouw zo een centrale rol heeft bij religie. Bij het Shinto-geloof bijvoorbeeld, wordt er alleen voor een ritueel een tijdelijk bouwwerk opgericht, waarna het weer verbrand wordt. De cyclus is eeuwig, maar niet het gebouw waardoor de Mycelium Conscius er geen interesse voor zou hebben, denk ik. In het Christendom is er de traditie ontstaan (na enkele eeuwen) om de eeuwigheid te willen uitdrukken in het gebouw. De nadruk ligt op (on)eindigheid in plaats van op het cyclische. Reïncarnatie bestaat ook niet in het Christendom, al zijn er stemmen die zeggen dat dit begrip pas in de 4e eeuw is geschrapt (ongeveer in de periode dat De Duivel zijn intrede deed en het Christendom zelf overging van een sektarisch naar een institutionele religie). Misschien doet de mycelium conscius ons vragen stellen over de rol van het gebouw of breder nog: het instituut. Beiden hebben een sterk ‘vasthoudend’ karakter. Wat is een religie, wat is een gemeenschap zonder diens gebouw of zonder het instituut? Welke angsten wekt het denken hierover op, welke ruimte geeft het juist?

Niet alleen kerken maar ook bridgeverenigingen, organisaties als de Rotary en tal van andere verenigingsvormen kampen met een vergelijkbare situatie, waarbij het uitsterven van de institutioneel geörienteerde generatie gepaard lijkt te gaan met het ter ziele gaan van de instituten die de verbinding in de samenleving organiseren. Die afbraak gaat door, ondanks de weer terugkerende behoefte aan verbinding. Er lijkt geen weg terug, de instituten spreken nieuwe generaties niet aan.

We kunnen ook nog verder uitzoomen. Dan komen we op een onderwerp dat wellicht het moeilijkst is voor de Westerse mens. Wij groeien op in een wereld die gaat om het maken, verkrijgen en verbruiken van dingen. Wij verwachten blijkbaar heel veel hiervan. Dat is zo vanzelfsprekend dat we het niet meer kunnen zien, als de vis die het water niet ziet. Een heel leven besteden we eraan en praten we er over. We leven in een enorme maakmachine. Onze maakmachine is gebaseerd op het uit de aarde halen van grondstoffen. In feite halen we steeds meer boven de grond van wat er onder zat. Wat we er daarna mee moeten, dat weten we eigenlijk niet echt, dat is pas enkele decennia onder onze aandacht. Dat komt ook weer voort uit dat geloof in (on)eindigheid. We willen door. We zijn ergens naar onderweg.

In de mythologie van vele volkeren wordt er de relatie gelegd tussen de gezondheid van het land en de (geestelijk of morele) gezondheid van het volk. Het dorre land is feitelijk een metafoor voor de dorre geest.

Hier zie ik dan ook een mythologisch wezen uit de aarde komen, dat begonnen is aan het werk dat schimmels altijd doen: afbreken. De grond raakt leger en leger, er zijn weer nieuwe bouwstoffen nodig voor een vruchtbare aarde, een vruchtbare geest.

Mycelium in de schijnwerpers.

De afgelopen jaren zijn schimmels erg onder de aandacht gekomen. Eén van de achterliggende redenen daarbij is dat de wetgeving rondom de psycho-actieve stoffen van paddo’s en aanverwante middelen versoepeld is, met name in de VS. Er wordt weer veel onderzoek gedaan naar psychiatrische toepassing van psycho actieve middelen, met name uit schimmels, zoals paddenstoelen. Onder dertigers en veertigers is het steeds meer gemeengoed om te experimenteren met deze middelen. Anders dan bij tieners en twintigers is de insteek hierbij meer op persoonlijk en spirituele ontwikkeling gericht. Ook bij op persoonlijke groei gericht trainingen en cursussen moet je niet meer vreemd opkijken wanneer je een medicinale plant krijgt toegediend.

Daarnaast begint er steeds meer een visie boven te drijven waarbij men in de geschiedenis een grote rol weglegt voor psycho-actieve stoffen. Om er twee te noemen. De ‘Stoned Ape’ theorie, die beweert dat de mens eigenlijk ontstaat doordat de aap door het eten van psycho-actieve schimmels een groter bewustzijn ontwikkelde. Andere theorieën leggen met name een grote rol weg voor psycho-actieve stoffen in de religieuze rituelen van weleer. Met name bij de oude Grieken.

Ook nu – nu we het einde lijken te naderen van het narratieve wereldbeeld, waar de Verlichting de culminering van genoemd kan worden – is het logisch dat de onze aandacht naar de schimmels terugkeert, daar deze ons beloven te kunnen genezen van het leven in logica en plannen. Schimmels die een meer aardse intelligentie lijken te vertegenwoordigen. In het kader van dit kunstwerk ben ik nu zelf ook een zogenaamde microdoseringskuur aan het volgen. Hierbij neem ik iedere drie dagen een kleine hoeveelheid psycho-actieve stof in (truffels van een psychedelische paddenstoel). Insteek is om de kuur een maand te volgen.